De zwaarwegende successierechtelijke plicht van de vereffenaar

De zwaarwegende Successierechtelijke plicht van de vereffenaar

De door de rechter benoemde vereffenaar is wat de erfbelasting betreft gehouden tot al de krachtens de Successiewet aan erfgenamen opgelegde verplichtingen (artikel 72 lid 2 SW) met als belangrijkste onderdeel het indienen van een aangifte erfbelasting. Op grond van artikel 47 Inv.wet 1990 is de vereffenaar vervolgens ook hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van de erfbelasting.

 De beruchte (maar imaginaire?) Edelweissroute

Beide artikelen zijn met ingang van 1 januari 2012 ten aanzien van de executeur gewijzigd ter bestrijding van de zogeheten ‘Edelweissroute’. De Edelweissroute was een constructie om erfbelasting over zwart vermogen van de erflater te ontduiken. Deze constructie hield in dat de executeur zwart vermogen van de erflater voor de erfgenamen verzweeg, al dan niet met een beroep op een ambtsgeheim of bankgeheim. De erfgenamen deden vervolgens (al dan niet) niets vermoedend aangifte erfbelasting, zonder het hen (al dan niet) onbekende zwarte vermogen van de erflater daarin op te nemen. Na het verstrijken van de navorderingstermijn (vóór 1 januari 2021 ‘slechts’ 12 jaar) bracht de executeur de erfgenamen alsnog op de hoogte. Bij de erfgenamen kon dan geen erfbelasting meer nagevorderd worden. Tot 1 januari 2012 was de executeur immers bevoegd maar –in de meeste gevallen- niet verplicht tot het doen van aangifte erfbelasting en de executeur was (en is) niet aansprakelijk voor de voldoening van erfbelasting op basis van een niet door hemzelf ingediende aangifte.

De Edelweissroute geblokkeerd (of een windmolen bedwongen?)

Het invoeren van de verplichting voor de executeur aangifte erfbelasting te doen ex artikel 72 SW, in combinatie met de reeds bestaande hoofdelijke aansprakelijkheid van artikel 47 Inv.wet 1990 voor voldoening van erfbelasting naar aanleiding van een door de executeur ingediende aangifte en het tot in het oneindige verlengen van de navorderingstermijn in verband met niet-opgegeven buitenlandse vermogensbestanddelen ex artikel 66 lid 4 SW, maakte tezamen effectief een einde aan deze wijze van belastingontduiking. Of van de Edelweissroute ooit werkelijk met enige significante frequentie gebruik werd gemaakt, wordt overigens sterk betwijfeld (zie bijvoorbeeld G.J.M.E. de Bont, ‘De windmolen Edelweiss’, WFR 2010/162).

Op het laatste moment echter vreesde de wetgever –terecht- dat de wetswijziging zijn doel voorbij zou schieten. Dankzij het Amendement Schouten (Kamerstukken II 2011/2012, 33004, nr. 9) is aan artikel 47 Inv.wet 1990 een tweede lid toegevoegd, waarin staat te lezen:

De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet voor zover een executeur aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.’

De voor het amendement gegeven reden was als volgt:

De Nederlandse Organisatie voor Executeurs (NOVEX), de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) en de Vereniging van Estate Planners in het Notariaat (EPN) hebben recentelijk in hun brieven naar de Tweede Kamer hun vrees geuit dat bona fide executeurs straks niet meer bereid zullen zijn om een benoeming tot executeur te aanvaarden. Op grond van artikel 47 van de Invorderingswet 1990 kan de executeur aansprakelijk worden gesteld voor al de door en bij het overlijden van de erflater verschuldigde erfbelasting indien de verkrijgers in gebreke zijn deze te betalen. Deze aansprakelijkheid strekt zich ook uit over verschuldigde erfbelasting over buitenlandse vermogensbestanddelen die door de erflater tijdens zijn leven en door de erfgenamen na zijn dood zijn verzwegen. De termijn om erfbelasting na te vorderen over deze bestanddelen wordt eveneens met ingang van 1 januari 2012 onbeperkt. Dit betekent dat de executeur levenslang het risico op aansprakelijkstelling loopt.

Het is van belang dat de executeurs bereid blijven hun benoeming te aanvaarden. Om de voordelen van de wettelijke regeling in afdeling 4.5.6 BW die per 1 januari 2003 is ingevoerd in de praktijk in stand te laten, wordt voorgesteld om de aansprakelijkheid van de executeur voor de verschuldigde erfbelasting enigszins te beperken. Dit betekent dat de executeur conform de gedachte achter de bestrijding van de Edelweissroute aansprakelijk blijft voor de verschuldigde erfbelasting (inclusief eventuele boete), tenzij de executeur bewijst niet bewust dan wel niet door onzorgvuldig handelen een onjuiste of onvolledige aangifte voor de erfbelasting te hebben gedaan.

Indien de executeur aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft, is hij niet aansprakelijk voor de erfbelasting die is verschuldigd over vermogensbestanddelen die door de erfgenamen voor hem zijn verzwegen of waarvan de executeur ten tijde van het indienen van de aangifte geen kennis van heeft kunnen nemen. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat de executeur zich zal moeten inspannen om alle informatie te verkrijgen die nodig is om de aangifte te doen. Op de executeur rust een zwaarwegende zorgplicht om de aangifte juist en volledig in te dienen zodat hij zich niet snel zal kunnen verdisculperen indien de aangifte onjuistheden of onvolledigheden bevat.’

Zie ECLI:NL:GHDHA:2016:3019 voor een voorbeeld van een geslaagd beroep door een executeur op de disculpatie van 47 lid 2 Inv.wet 1990.

 En de vereffenaar dan?

Artikel 47 lid 2 Inv.wet 1990 en het bovenstaande amendement zwijgen echter in alle talen over de vereffenaar. Voor de vereffenaar geldt uitsluitend artikel 72 lid 2 SW: ‘Door de rechter benoemde vereffenaars van nalatenschappen zijn gehouden tot al de bij deze wet aan erfgenamen opgelegde verplichtingen’, in combinatie met artikel 47 lid 1 Inv.wet 1990: ‘Executeurs en door de rechter benoemde vereffenaars van nalatenschappen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor al de door en bij het overlijden van de erflater verschuldigde erfbelasting, tenzij de aangifte voor de erfbelasting niet door hen is gedaan’. Een en ander dus zonder de mogelijkheid van disculpatie via artikel 47 lid 2 Inv.wet 1990.

Klaarblijkelijk rust de ‘zwaarwegende zorgplicht [van de executeur] om de aangifte juist en volledig in te dienen’ dus extra zwaar op de vereffenaar.

Het vorenstaande impliceert dat de vereffenaar levenslang het risico op aansprakelijkstelling loopt inzake voor de belastingdienst én ook voor hem/haar zelf verzwegen buitenlandse vermogensbestanddelen, nu de navorderingstermijn inzake buitenlandse vermogensbestanddelen inmiddels dus onbeperkt is (artikel 66 lid 4 SW). Dit terwijl de reden voor het eerder gemelde amendement toch was ‘Het is van belang dat de executeurs bereid blijven hun benoeming te aanvaarden’ en de vereffenaar wat diens mogelijkheden betreft om onderzoek te doen naar eventuele buitenlandse vermogensbestanddelen van een erflater toch geenszins in een betere positie verkeert dan een executeur.

Bovendien kan men zich afvragen of een door de rechtbank benoemde vereffenaar minder snel door de erfgenamen zal kunnen worden belazerd c.q. zich gemakkelijker zou laten lenen voor een dergelijke opzet dan een door de erflater benoemde executeur, of dat het eerder andersom zal zijn. Waarom een executeur dan wel een mogelijkheid tot disculpatie heeft gekregen en de vereffenaar niet, blijft ook wat dat betreft een raadsel.

 Zwaarwegend, maar niet privatief

Curieus genoeg zou men uit artikel 44 lid 1 AWR mogen afleiden dat de fiscale bevoegdheden (en de daarmee samenhangende zwaarwegende successierechtelijke en andere fiscale verplichtingen) ook voor de vereffenaar geen privatieve bevoegdheid zijn -zoals zij dat ook voor de executeur niet zijn- en dat de erfgenamen ook ingeval van een door de rechtbank benoemde vereffenaar bevoegd blijven zelfstandig een aangifte erfbelasting in te dienen. Laat echter de kans dat erfgenamen dat ingeval van zwart buitenlands vermogen doen in de meeste gevallen nu net verwaarloosbaar klein zijn en het probleem blijft hoe dan ook liggen bij de vereffenaar.