Hebben erfgenamen iets te zeggen over het loon van de vereffenaar?

Een door de rechtbank benoemde vereffenaar heeft recht op loon. Dat loon wordt vóór het opmaken van de uitdelingslijst vastgesteld door de kantonrechter. Deze vaststelling van het vereffenaarsloon is al vaak onderwerp van discussie geweest. Eén van de daarbij gestelde vragen is: hebben de erfgenamen hierin een rol? Kunnen ze verweer voeren tegen het verzoek van de vereffenaar of zich verzetten tegen het vastgestelde loon? In de jurisprudentie wordt hier verschillend over gedacht en geoordeeld. De kantonrechter in Roermond heeft in een recente en uitgebreid gemotiveerde beschikking een aantal verschillende zienswijzen op een rijtje gezet en is tot een eigen conclusie gekomen, die de erfgenamen verder buiten spel zet.

 

Het wettelijke systeem over het loon van de vereffenaar

Het recht op loon van de vereffenaar is neergelegd in artikel 4:206 lid 3 BW. Hij heeft recht op loon dat door de kantonrechter vóór het opmaken van de uitdelingslijst wordt vastgesteld. Voordat de vereffenaar de uitdelingslijst en rekening en verantwoording opstelt, zal hij de kantonrechter dus verzoeken zijn loon vast te stellen en de kantonrechter zal dan normaal gesproken aan de hand van de Recofa-richtlijn, zoals die ook geldt voor de vaststelling van het loon van de faillissementscurator, het loon van de vereffenaar bij beschikking vaststellen. Tegen die beschikking staat hoger beroep open.

 

Nadat het loon is vastgesteld door de kantonrechter, zal de vereffenaar de rekening en verantwoording met de uitdelingslijst opstellen en – in geval van een negatieve nalatenschap – neerleggen bij de boedelnotaris of, als die er niet is, ter griffie van de rechtbank (artikel 4:218 lid 1 BW). Die neerlegging zal de vereffenaar bekend moeten maken; niet alleen openlijk, maar ook per brief aan de erfgenamen, legatarissen en de schuldeisers die zich bij de vereffenaar gemeld hebben (4:218 lid 2 BW). Binnen een maand na de openlijke bekendmaking kan iedere belanghebbende tegen de rekening en verantwoording of tegen de uitdelingslijst bij de kantonrechter (of, als er een rechter-commissaris benoemd is, bij de rechtbank) in verzet komen (artikel 4:218 lid 3 BW).

 

Op grond van artikel 4:218 lid 5 BW zijn bij het opmaken van en het verzet tegen de uitdelingslijst de in de Faillissementswet voorkomende voorschriften zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Dat betekent onder meer dat het vereffenaarsloon als een van de uitgaven vermeld dient te worden op de uitdelingslijst/rekening en verantwoording (artikel 180 lid 1 FW) en dat van de beschikking van de kantonrechter of de rechtbank op het verzet geen hoger beroep openstaat maar binnen acht dagen beroep in cassatie kan worden ingesteld door een belanghebbende (artikel 187 lid 1 FW).

 

Indien sprake is van een positieve nalatenschap, in die zin dat alle schulden van de nalatenschap ten volle voldaan kunnen worden, hoeft de vereffenaar geen rekening en verantwoording en uitdelingslijst neer te leggen (artikel 4:221 lid 2 BW). De mogelijkheid van verzet tegen de rekening en verantwoording met uitdelingslijst is er dan in beginsel niet, en kan in de regel ook niet gecreëerd worden door de rekening en verantwoording met uitdelingslijst toch, onverplicht, neer leggen. Als de rekening en verantwoording niet wordt neergelegd, dan geschiedt die rekening en verantwoording op de wijze als bepaald is voor bewindvoerders (artikel 4:221 lid 3 jo. 4:161 jo. 1:374 BW). Er zal dan rekening en verantwoording afgelegd moeten worden aan de erfgenamen ten overstaan van de kantonrechter. Geschillen die bij de aflegging van de rekening en verantwoording mochten rijzen – bijvoorbeeld over de hoogte van het vastgestelde vereffenaarsloon – worden dan beslist door de kantonrechter. Tegen die beslissing staat dan wel weer hoger beroep open.

 

Stel, een erfgenaam is het niet eens met het loon dat de vereffenaar vastgesteld wil zien of dat de kantonrechter vastgesteld heeft. Wanneer en op welke wijze kan hij daarvan binnen het hierboven geschetste wettelijke kader tegen opkomen? Of is daar  voor hem helemaal geen ruimte voor?

 

De kantonrechter in Roermond (rechtbank Limburg, 25 juni 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6050) komt tot de conclusie dat er voor de erfgenaam geen enkele mogelijkheid is om op te komen tegen het loon van de vereffenaar. Daarbij verwijst hij naar hieronder te bespreken jurisprudentie van het hof Den Haag en het hof Den Bosch, waar hij zich niet (helemaal) in kan vinden.

 

Eerdere jurisprudentie over de mogelijkheden van de erfgenaam

Om verweer te kunnen voeren tegen het verzoek van de vereffenaar om zijn loon vast te stellen, zal de erfgenaam als een belanghebbende in die procedure aangemerkt moeten worden. Over de processuele status van de erfgenaam bij de vaststelling van het vereffenaarsloon is de laatste jaren verschillend gedacht. Uit de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 14 maart 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:767) volgde bijvoorbeeld dat de erfgenamen zich mochten verweren tegen het salarisverzoek van de vereffenaar en dat zij in (incidenteel) appel ontvangen zijn. Hoewel dat niet expliciet terugkomt in deze beschikking, lijken de erfgenamen in die kwestie dus zowel door de kantonrechter als het hof als belanghebbenden bij de vaststelling van het loon van de vereffenaar ex artikel 4:206 lid 3 BW aangemerkt te zijn. In ieder geval zijn ze in dit kader ontvangen in hun verweer en in hun hoger beroep.

 

Enkele maanden later komt hetzelfde hof in een andere casus tot een andere conclusie. Op 20 juni 2018 overwoog het hof Den Haag dat de erfgenamen ten onrechte door de kantonrechter waren aangemerkt als belanghebbenden ten aanzien van de vaststelling van het loon van de vereffenaar, omdat dit een aangelegenheid is tussen de kantonrechter en de vereffenaar (ECLI:NL:GHDHA:2018:1678). Dat loon maakt deel uit van de uitdelingslijst, zo overweegt het hof, en iedere belanghebbende kan van die uitdelingslijst in verzet komen. Bij dat verzet zijn de erfgenamen wél belanghebbenden volgens het hof. Waar de erfgenamen geen belanghebbenden zijn bij het vaststellen van het loon – en dus geen verweer kunnen voeren tegen het daartoe strekkende verzoek van de vereffenaar – zijn zij dat dus wel als het loon eenmaal is vastgesteld en zij daartegen op willen komen in het verzet tegen de uitdelingslijst (of rekening en verantwoording) waar het dan een onderdeel van is.

 

Ook het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is van oordeel dat erfgenamen niet als belanghebbenden in hoger beroep kunnen gaan van de beschikking van de kantonrechter waarbij het loon van de vereffenaar is vastgesteld. Ook dit hof ziet dit als een aangelegenheid tussen vereffenaar en kantonrechter, zoals blijkt uit de beschikking van 25 maart 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:922). Indien de erfgenamen willen opkomen tegen het vastgestelde loon, staat ook volgens het hof Den Bosch de weg open van verzet tegen de uitdelingslijst en als de uitdelingslijst niet is gedeponeerd kan het loon van de vereffenaar bij de kantonrechter ter discussie komen in het kader van de door de vereffenaar af te leggen rekening en verantwoording. Het hof wijst er daarbij op dat de Faillissementswet weliswaar zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing moet vinden en dat in het kader van een faillissement géén verzet openstaat tegen het vastgestelde salaris van de curator, maar dat dat niet (per se) ook geldt voor het loon van de vereffenaar, gezien de verschillen tussen het faillissement (als van openbare orde) enerzijds en de vereffening van een particuliere nalatenschap en de in dat kader geldende regels.

 

De conclusie van het hof Den Bosch is dus dat de erfgenaam geen verweer kan voeren tegen het verzoek van de vereffenaar tot vaststelling van zijn loon en ook niet in beroep gaan van de beschikking waarbij de kantonrechter het loon heeft vastgesteld, omdat hij niet als belanghebbende geldt, maar dat de erfgenaam wél kan opkomen tegen het vastgestelde loon wanneer hij als belanghebbende in verzet gaat tegen de uitdelingslijst/rekening en verantwoording, of bij het afleggen van de rekening en verantwoording in geval van een positieve nalatenschap. Het Hof Den Bosch bevestigde dit op 26 oktober 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:3542).

 

Het oordeel van de kantonrechter in Roermond over het loon van de vereffenaar

Ook de kantonrechter in Limburg is in de gemelde beschikking van oordeel dat erfgenamen in het kader van het verzoek om vaststelling van het vereffenaarsloon, geen belanghebbenden zijn. Zij kunnen dus ook in zijn ogen geen verweer voeren tegen het daartoe strekkende verzoek en zij kunnen niet in hoger beroep gaan van de beschikking waarbij de kantonrechter het loon heeft vastgesteld. Maar de kantonrechter gaat bij het uitsluiten van de mogelijkheden voor erfgenamen nog een stap verder. Ook in verzet kunnen de erfgenamen in zijn ogen namelijk niet opkomen tegen het vereffenaarsloon.

 

De kantonrechter wijst erop dat bij het verzet tegen de uitdelingslijst de in de Faillissementswet voorkomende voorschriften zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden (artikel 4:218 lid 5 BW). In een faillissement wordt het salaris van de curator vastgesteld door de rechtbank. Inmenging van derden, bijvoorbeeld de schuldeisers van de failliete boedel of de gefailleerde zelf, bij de vaststelling van het salaris is uitgesloten. Zij zijn geen belanghebbenden en worden dus niet bij de vaststelling betrokken en zij kunnen dus ook geen rechtsmiddel instellen tegen de salarisvaststelling. Er is zelfs geen verplichting om de schuldeisers of de gefailleerde in dit verband te horen. In het faillissementsrecht geldt verder dat een schuldeiser weliswaar in verzet kan komen en daarbij kan opkomen tegen de uitdelingslijst, maar dat die schuldeiser in die procedure niet kan opkomen tegen het door de rechtbank vastgestelde salaris van de curator. Met andere woorden: de salarisvaststelling in geval van faillissement is louter een aangelegenheid tussen rechtbank en de door haar benoemde curator; derden zoals schuldeisers of de gefailleerde zelf hebben geen invloed op de hoogte van het salaris van de curator, ook niet in het kader van verzet tegen uitdelingslijst.

 

De kantonrechter ziet geen enkel aanknopingspunt om ervan uit te gaan dat dat in het geval van een door de rechtbank benoemde vereffenaar anders zou moeten zijn. Waarom zou – gezien de overeenkomstige toepassing van de faillissementsregels die nu juist zoveel mogelijk plaats zou moeten vinden – een erfgenaam die als belanghebbende in verzet gaat tegen een rekening en verantwoording en uitdelingslijst wél kunnen opkomen tegen het loon van de door de rechtbank benoemde vereffenaar, terwijl de schuldeiser in een faillissement die in verzet gaat tegen de uitdelingslijst dat niet kan? Een rechtvaardiging daarvoor ziet de kantonrechter in ieder geval niet in een verschil in de aard van een faillissement en die van een vereffening.

 

In het verlengde daarvan ziet de kantonrechter ook geen aanleiding om hier anders over te oordelen in geval van een positieve nalatenschap. Hij ziet geen reden om te veronderstellen dat de wetgever het maken van een dergelijk onderscheid opportuun of gerechtvaardigd heeft geacht. Integendeel: als met succes opgekomen zou kunnen worden tegen het loon van de vereffenaar zou een negatieve nalatenschap zelfs positief kunnen worden, zodat het alleen al daarom volgens de kantonrechter niet voor de hand ligt om te veronderstellen dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat in de ene situatie (negatief saldo) niet kan worden opgekomen tegen het loon van de vereffenaar en in de andere situatie (positief saldo) wel.

 

Positie erfgenamen bij loon vereffenaar

Het lijkt erop dat de kantonrechter daarmee tot de conclusie komt dat er voor de erfgenaam geen enkele mogelijkheid is om op te komen tegen het loon van de vereffenaar. Niet in het kader van het verzoek tot vaststelling van dat loon, niet in het kader van een verzet tegen de uitdelingslijst of rekening en verantwoording, en niet in het kader van de rekening en verantwoording zoals die afgelegd moet worden aan de erfgenamen als sprake is van een positieve nalatenschap. Met name dat laatste zal voor een erfgenaam misschien moeilijk te aanvaarden zijn, omdat in geval van een positieve nalatenschap sprake is van een aan de erfgenamen af te geven overschot waarvan de hoogte rechtstreeks beïnvloed wordt door de hoogte van het vereffenaarsloon. Als de erfgenaam het niet eens is met het vastgestelde loon, lijkt hij er toch een direct belang bij te hebben om dit kenbaar te kunnen maken en daar een oordeel over te krijgen. Daar komt bij dat volgens artikel 4:218 lid 5 BW de regels van het faillissementsrecht voor zover mogelijk overeenkomstige toepassing vinden bij het opmaken van de uitdelingslijst en het verzet daartegen; over het opmaken van de rekening en verantwoording en de geschillen daarover in een rekenprocedure (in geval van een positieve nalatenschap) zegt dit artikel niet direct iets.

 

Hoe dan ook: als de overwegingen van de kantonrechter juist zijn en gevolgd worden, lijken alle wegen afgesloten voor erfgenamen die zich niet kunnen vinden in de hoogte van het verzochte of vastgestelde loon van de vereffenaar. Dan is het in alle opzichten een aangelegenheid tussen vereffenaar en kantonrechter waar zij volledig buiten staan, zoals het wellicht ook bedoeld is. Daarmee zou ook een streep gezet worden door de op het eerste gezicht wat tegenstrijdig aandoende redenering dat de erfgenaam geen belanghebbende is bij de vaststelling van het vereffenaarsloon, maar dat wel is bij het verzet tegen het inmiddels vastgestelde loon als onderdeel van de uitdelingslijst, of in het kader van een geschil over de rekening en verantwoording in geval van een positieve nalatenschap. Zeker in het licht van de wettelijk voorgeschreven (zoveel mogelijk) overeenkomstige toepassing van de faillissementsregels met betrekking tot de uitdelingslijst, is het dan misschien nog niet zo’n gekke gedachte dat de erfgenamen inderdaad niets te maken hebben met het door de kantonrechter vast te stellen loon van de door de rechtbank benoemde vereffenaar.

 

In de procedure bij deze kantonrechter was het overigens niet zo dat de erfgenamen helemaal niets mochten zeggen over het loon van de vereffenaar. De kantonrechter heeft hen gehoord als informanten, tijdens een mondelinge behandeling die de kantonrechter had ingepland naar aanleiding van door hem ontvangen e-mailberichten. De aldus verkregen informatie zal de kantonechter uiteindelijk hebben meegewogen bij de inhoudelijke beoordeling van het loonverzoek van de vereffenaar. Het is dus ook weer niet zo, zelfs niet als de overwegingen van de kantonrechter gevolgd worden, dat je als erfgenaam helemaal niets kan doen en alleen maar kunt hopen op een meevallende loonbeschikking.