Hoe civielrechtelijke bevoegdheden en fiscale plichten zich niet automatisch vertalen in fiscale procesbevoegdheid (of hoe de fiscale spitsen na één helft gewisseld worden en de fiscale scheidsrechter genadeloos is voor bankzitters)
Eerder schreef ik al over de fiscale verplichtingen van de vereffenaar en de executeur (https://www.familie-erfrecht.nl/de-zwaarwegende-successierechtelijke-plicht-van-de-vereffenaar/) en constateerde dat zij fiscale verantwoordelijkheden dragen die aanzienlijk verder gaan dan een louter faciliterende rol. Desondanks zijn hun fiscale bevoegdheden niet ‘privatief’ en blijven de erfgenamen dus ook zelfstandig bevoegd deze uit te oefenen.
De fiscale spitsen genaamd executeur en vereffenaar zijn dus niet de enige spelers op het veld die een fiscaal doelpunt mogen scoren (en zijn gelukkig ook niet aansprakelijk voor de missers van anderen), maar staan feitelijk wel vooraan.
In dit artikel behandel ik twee uitspraken die deze verstrekkende fiscale bevoegdheden en verplichtingen van de executeur en de vereffenaar procesrechtelijk scherp begrenzen, op een manier die civielrechtelijk misschien niet direct in de lijn der verwachting ligt, maar vanuit fiscaal oogpunt begrijpelijk is.
De eerste helft: executeur en vereffenaar staan (feitelijk) vooraan op het fiscale veld, maar allerminst alleen
Artikel 36 SW bepaalt kortweg: ‘De belasting wordt geheven van de verkrijger’. Dit artikel wijst hiermee de ‘verkrijger’ (dat wil zeggen de erfgenaam, of andere erfrechtelijke verkrijger) aan als de belastingplichtige. Als belastingplichtige is de verkrijger verplicht tot het doen van aangifte en wordt de aanslag ook aan hem of haar opgelegd (37 SW). Als belastingschuldige is de verkrijger vervolgens ook verplicht de aanslag te betalen (artikel 2 lid 1 onderdeel k Invorderingswet 1990).
Als gevolg van artikel 36 SW is de erfbelasting een individuele belasting (en dus geen boedelbelasting die van de nalatenschap als geheel wordt geheven, zoals in bijvoorbeeld de VS). Ondanks dat de erfbelasting dus geen boedelbelasting is, staat de erfbelasting civielrechtelijk echter niet los van de nalatenschap en ook daarmee niet van de executeur en vereffenaar. De erfbelasting is immers een schuld van de nalatenschap ex artikel 4:7 lid 1 BW sub e BW en executeur en vereffenaar hebben tot taak de schulden van de nalatenschap te voldoen (4:144 en 4:211 BW). De interne draagplicht tussen de erfgenamen maakt vervolgens dat toch iedere verkrijger feitelijk zijn ‘eigen’ erfbelasting voldoet (tenzij bij testament anders is bepaald).
Op grond van artikel 72 lid 1 en 2 SW zijn de executeur en de door de rechter benoemde vereffenaar wat de erfbelasting betreft gehouden tot ‘al de bij deze wet aan erfgenamen opgelegde verplichtingen’, met als belangrijkste onderdeel het indienen van een aangifte erfbelasting. Op grond van artikel 47 Inv.wet 1990 zijn executeur en vereffenaar vervolgens ook hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van de erfbelasting.
Op basis van het vorenstaande lijkt het dan voor de hand liggend dat de executeur en vereffenaar de fiscale wedstrijd ook uitspelen wanneer zij de fiscale wedstrijd in de spits zijn gestart door de aangifte erfbelasting in te dienen en zij een teleurstellende 0-1 ruststand in de bezwaar en beroepsfase proberen om te buigen naar een 2-1 overwinning. Uit de hierna volgende uitspraken blijkt echter dat de executeur en vereffenaar in de fiscale rust worden gewisseld en dat bankzitters niet ontvankelijk zijn in de tweede helft van de wedstrijd.
HR 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:741):
de grenzen van de fiscale procesbevoegdheid van de vereffenaar
In deze uitspraak stond de fiscale procesbevoegdheid van de vereffenaar centraal. De erfgenamen hadden –ondanks een teleurstellende eerste helft- vertrouwen in hun fiscale spits en betoogden dat ‘een nalatenschap in geval van vereffening door een door de rechter benoemde vereffenaar als een afgescheiden eenheid moet worden beschouwd’ en dat daarom ook in de tweede helft van de bezwaar- en beroepsfase hun fiscale spits de kar mocht trekken en zij niet zelf ook het veld behoefden te betreden (met griffierecht voor elk van hen tot gevolg). De Hoge Raad oordeelde anders en verwees de vereffenaar terug naar de reservebank met het oordeel:
‘Het instellen van een rechtsmiddel behoort niet tot de verplichtingen die krachtens artikel 72 van de Successiewet 1956 door een vereffenaar moeten worden nagekomen. Degene die overeenkomstig de derde afdeling van Titel 6, Boek 4 BW tot vereffening van de nalatenschap is benoemd, maar zelf niet tot de gerechtigden tot de nalatenschap behoort, kan ook niet worden beschouwd als een belanghebbende aan wie de belastingaanslag in het recht van successie (thans erfbelasting) is opgelegd in de zin van artikel 26a Algemene wet inzake rijksbelastingen. Anders dan belanghebbenden betogen komt een vereffenaar daarom geen eigen bevoegdheid toe tot het instellen van rechtsmiddelen tegen belastingaanslagen als de onderhavige. Daaraan doet niet af dat de overeenkomstig Titel 6, Boek 4 BW benoemde vereffenaar de gerechtigden tot de nalatenschap in en buiten rechte kan vertegenwoordigen (vgl. artikel 4:211 BW).’
en
‘Het bij de bestreden uitspraak gegeven oordeel dat het beroep en het hoger beroep is ingesteld door negen belanghebbenden die niet met elkaar kunnen worden vereenzelvigd, en elk (hoger) beroep uitsluitend de aan de appellant opgelegde aanslag betreft, zodat van elke belanghebbende afzonderlijk griffierecht kan worden geheven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.’
Aldus bleek de civielrechtelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van artikel 4:211 lid 2 BW zich niet ook uit te strekken tot fiscale procedures. De erfgenamen stonden in de tweede helft ineens dus zelf en zonder hun spits op het veld, waarbij het ook nog eens ieder voor zich was (en het teamgevoel ver te zoeken).
Civielrechtelijke bevoegdheden genereren voor de vereffenaar dus niet automatisch een fiscale procespositie, althans niet zonder uitdrukkelijke fiscale verplichting en/of fiscaal belang.
Misschien is het ook niet zo ingewikkeld, nu artikel 4:211 lid 2 BW immers bepaalt: ‘Hij vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte.’ Geen taak (zie artikel 72 SW), dan ook geen vertegenwoordiging in fiscalibus, constateerde de Hoge Raad droogjes.
Hof Den Haag 17 februari 2026 (ECLI:NL:GHDHA:2026:389):
de grenzen van de fiscale procesbevoegdheid van de executeur
De vereffenaar blijkt in de rust te zijn gewisseld, maar hoe vergaat het die andere spits, de executeur in de tweede helft van de fiscale wedstrijd?
In deze casus stelde de executeur hoger beroep in tegen een navorderingsaanslag erfbelasting. Hij meende daartoe zelfstandig bevoegd te zijn en geen machtiging van de erfgenaam nodig te hebben.
Maar ook de executeur bleek in de fiscale rust te zijn gewisseld. Het Hof oordeelde:
‘De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen (artikel 4:144, lid 1, BW). De onderhavige navorderingsaanslag betreft echter een persoonlijke belastingschuld van een erfgenaam (artikel 36 van de Successiewet 1956). Het voeren van een gerechtelijke procedure daarover kan niet worden geschaard onder de taakomschrijving van de executeur en behoort derhalve niet tot diens bevoegdheden. Een andersluidende opvatting zou ook leiden tot het ongerijmde gevolg dat erfgenamen – zolang het beheer van de executeur duurt – niet bevoegd zijn om in rechte op te komen tegen aan hen opgelegde belastingaanslagen in de erfbelasting, aangezien de vertegenwoordigingsbevoegdheid van artikel 4:145, lid 2, BW privatief is.’
en
‘Ook uit artikel 72 van de Successiewet 1956 volgt geen vertegenwoordigingsbevoegdheid voor de executeur.’
en
‘[de executeur] kan (…) geen hoger beroep voor zichzelf instellen, reeds omdat de aanslag en de beschikking niet aan hem zijn opgelegd respectievelijk gegeven (artikel 26a, lid 1, onderdelen a en c, AWR) en in het voorwerp van de belasting waarop de aanslag betrekking heeft geen inkomens- of vermogensbestanddelen van hem zijn begrepen (artikel 26a, lid 2, AWR)’
Het Hof had HR 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:741) duidelijk goed gelezen (met dank aan de rechtbank die er al naar had verwezen) en onderkende keurig de paralellen tussen executeur en vereffenaar. Alle elementen uit het arrest van de Hoge Raad keren dan ook terug. Als de ene spits al gewisseld was, dan de andere duidelijk ook.
Conclusie: fiscale verplichtingen leiden niet zondermeer tot fiscale procesbevoegdheid
Executeurs en vereffenaars dragen aanzienlijke verantwoordelijkheden inzake de erfbelasting: een aangifteplicht, betalingsverplichting en aansprakelijkheid. Uit bovenstaande rechtspraak blijkt echter dat dit niet automatisch leidt tot een zelfstandige fiscale procesbevoegdheid.
Voor de ijverige executeur en vereffenaar voelt het wellicht wat onaf om de wedstrijd niet af te kunnen maken, maar hun bevoegdheden strekken zich nu eenmaal niet uit tot de tweede helft, die uitsluitend wordt beheerst door de wettelijk afgebakende fiscale procesbevoegdheid. Geen bevoegdheid zonder fiscale rechtspositie. De bankzitters worden bedankt (of misschien juist niet) voor hun ijver in de eerste helft, maar doen in de tweede helft niet meer mee.
Wellicht echter is het voor de (over)ijverige executeur en vereffenaar ook maar beter dat diens zwaarwegende fiscale plichten een keer ophouden.
Willen de overige spelers hun spitsen echter per se toch ook in de tweede helft zien schitteren, dan kunnen ze hen daartoe altijd nog (individueel!) machtigen. Ze staan dan dus echter niet langer als executeur c.q. vereffenaar op het veld, maar met een nieuw rugnummer, dus moeten dan wel extra goed letten op hun aansprakelijkheid(sverzekering)!
(‘No taxation without representation!’ roepen ze graag in de VS, maar in Nederland is het omgekeerde dus ook waar… Hup Holland!)
