Loon van de vereffenaar na het opmaken van de uitdelingslijst?

Loon voor de vereffenaar na het opmaken van de uitdelingslijst?

Het loon van de vereffenaar wordt op grond van artikel 4:206 lid 3 BW vastgesteld vóór het opmaken van de uitdelingslijst. De wet geeft geen nadere regels voor het vaststellen van het loon van de vereffenaar. De Richtlijnen Vereffening Nalatenschappen geven wel nadere kaders voor de vaststelling van het loon. De kantonrechter kan volgens de Richtlijnen bijvoorbeeld rekening houden met het belang dat de vereffenaar bij de vereffening heeft en met de omvang van de nalatenschap. De Richtlijnen Vereffening Nalatenschappen verwijzen tevens naar de Recofa richtlijnen voor faillissementszaken.

Ook voor werkzaamheden die door de vereffenaar ná het vaststellen van het loon worden verricht en die nog niet bij de eerdere vaststelling van het loon zijn meegenomen, wordt in de Richtlijnene Vereffening Nalatenschappen aansluiting gezocht bij de Recofa richtlijnen.

De Recofa richtlijnen houden bij de vaststelling van het loon al rekening met een forfaitaire vergoeding voor werkzaamheden die door de vereffenaar worden verricht ná het opmaken van de uitdelingslijst. Het betreft een forfaitaire vergoeding van 2 uren als er geen uitdeling heeft plaatsgevonden en van 4 uren als er wel een uitdeling heeft plaatsgevonden. In de Recofa richtlijnen staat dat er op gemotiveerd verzoek kan worden verzocht om meer uren toe te kennen. In een aantal gevallen moet de vereffenaar na het opmaken van de uitdelingslijst echter nog (substantiële) aanvullende werkzaamheden verrichten, bijvoorbeeld als er verzet wordt aangetekend tegen de uitdelingslijst of als de vereffenaar het op grond van artikel 4:226 BW tot een verdeling moet brengen. De forfaitaire vergoeding staat dan vaak in schril contrast met de daadwerkelijke tijdsbesteding van de vereffenaar. Kan de vereffenaar voor deze werkzaamheden nog om aanvullend loon vragen?

Voor het bespreken van deze vragen kijken we naar twee recente uitspraken.

Rechtbank Midden-Nederland 24 april 2025

In een recente uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (Notamail 2025/99) is het loon van de vereffenaar door de kantonrechter vastgesteld, ondanks het feit dat het verzoek was ingediend ná het opmaken van de uitdelingslijst. In deze zaak is een vereffenaar benoemd in de nalatenschappen van een echtpaar. De vereffenaar heeft een verzoek ingediend bij de kantonrechter voor het vaststellen van zijn loon, nadat de uitdelingslijst is vastgesteld. In eerste instantie heeft de kantonrechter een brief gestuurd aan de vereffenaar waarin de kantonrechter vermeldt dat hij voornemens is om de vereffenaar niet-ontvankelijk te verklaren. Gelet op artikel 4:206 lid 3 BW is de vereffenaar volgens de kantonrechter namelijk te laat met het indienen van het verzoek. De vereffenaar heeft hier vervolgens op gereageerd middels een brief; dat was kennelijk zijn redding. De kantonrechter ziet bij wijze van uitzondering aanleiding om het loon van de vereffenaar toch vast te stellen, ondanks het feit dat  het verzoek ná het opmaken van de uitdelingslijst is ingediend. De kantonrechter heeft hierbij vooral gekeken naar de door de vereffenaar overgelegde urenspecificatie van de werkzaamheden die zijn verricht en naar zijn reactie op het voornemen tot niet-ontvankelijkverklaring. Hoewel de uitspraak (nog) niet gepubliceerd is en de samenvatting in de Notamail beknopt is, heb ik begrepen dat de werkzaamheden waarvoor de vereffenaar in deze zaak aanvullend loon wenste, verband hielden met werkzaamheden in het kader van uitvoerige verzetprocedures. Het ging dus niet om een situatie waarbij de vereffenaar vergeten was om loon te vragen voor zijn reguliere werkzaamheden voor het verbindend worden van de uitdelingslijst.

De kantonrechter spreekt hier van een uitzondering om aanvullend loon toe te kennen, maar is dit wel een uitzondering? Hiervoor kijken we naar een volgende recente uitspraak.

Hof Den Bosch 20 februari 2025

In deze deze zaak (ECLI:NL:GHSHE:2025:436) is een vereffenaar benoemd in de nalatenschap van erflater. De vereffenaar heeft voor het opmaken van de uitdelingslijst een verzoek tot het vaststellen van loon ingediend. De kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen en het loon van de vereffenaar vastgesteld. In dit loon is ook de forfaitaire 4 uur tijd begrepen voor de tijd die nog gemoeid is met de definitieve afwikkeling van de vereffening, overeenkomstig de Recofa richtlijnen. De vereffenaar verwerkt de loonbeschikking op de uitdelingslijst. Tegen de rekening en verantwoording en de uitdelingslijst van de vereffenaar worden vervolgens  twee verzetschriften ingediend.

De vereffenaar heeft verzocht om vaststelling van aanvullend loon voor de werkzaamheden die zijn uitgevoerd in het kader van de verzetprocedures. De kantonrechter geeft aan dat de kosten die door de vereffenaar gemaakt zijn in het kader van een verzetprocedure voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, ook als de uitdelingslijst al is opgemaakt. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat het door de vereffenaar verzochte salaris in dit geval echter niet kan worden vastgesteld op het door hem gevraagde bedrag en wijst het verzoek af. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de uren die volgens de vereffenaar zijn gemaakt in het kader van de verzetprocedures niet voor beloning in aanmerking komen. Dit ondanks het feit dat deze kosten bij de eerste vaststelling van het loon nog niet zijn meegenomen. De kantonrechter wijst op het feit dat in de verzetprocedures al rekening is gehouden met een proceskostenveroordeling. De kantonrechter is van oordeel dat het gelet hierop niet duidelijk is welk deel van de door de vereffenaar ingediende uren als extra kosten voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen en welke kosten zijn gedekt als proceskosten. De kantonrechter overweegt ook dat het niet per definitie zo is dat de uren die de proceskostenvergoeding overstijgen, voor (aanvullende) vergoeding in het kader van het loon in aanmerking komen. De kantonrechter is in dat kader van oordeel dat het op de weg van de vereffenaar had gelegen om in de verzetprocedure het reeds vastgestelde loon te laten aanpassen voor de extra werkzaamheden die de vereffenaar heeft moeten verrichten naar aanleiding van de verzetprocedure. De kantonrechter geeft aan dat wanneer de vereffenaar dit had gedaan, er ook rekening had kunnen worden gehouden met de (aanvullend) verrichte werkzaamheden van de vereffenaar bij het toewijzen van de proceskostenveroordeling in verzet.

De vereffenaar is vervolgens in hoger beroep gegaan en heeft aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de vereffenaar een verzoek om aanvullend loon in de lopende verzetprocedure had moeten indienen. De vereffenaar voert aan dat de verzetprocedures en het verzoek om (aanvullend) loon vast te stellen, twee compleet verschillende procedures zijn. Daarnaast blijkt ook niet uit de Richtlijnen Vereffening Nalatenschappen dat een verzoek om aanvullend loon in het verweer op het verzet meegenomen zou moeten worden. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter terecht de Recofa richtlijnen voorop heeft gesteld bij het vaststellen van het loon van de vereffenaar. Het hof is verder van oordeel dat de kantonrechter de proceskostenveroordeling in de verzetprocedure ten onrechte heeft betrokken bij de salarisbepaling van de vereffenaar. De proceskostenveroordeling komt namelijk toe aan de nalatenschap en niet aan de vereffenaar. Het hof oordeelt dat de werkzaamheden van de vereffenaar als zodanig moeten worden beschouwd en deze werkzaamheden geven het hof geen aanleiding tot nadere opmerkingen. Het hof vernietigt dan ook de beschikking van de kantonrechter en wijst alsnog het verzochte aanvullende loon toe aan de vereffenaar.

Eerdere uitspraken over aanvullend loon

Het Hof den Bosch ziet dan ook weldegelijk ruimte voor toekenning van (aanvullend) loon, na het opmaken van de uitdelingslijst. Er is eerder ook al in lagere rechtspraak bepaald dat de vereffenaar aanspraak kan maken op loon voor werkzaamheden die ná de loonvaststelling hebben plaatsgevonden. In dit kader verwijs ik naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 maart 2023 waar tevens is geoordeeld dat de kantonrechter het loon van de vereffenaar ná de vaststelling van het loon nog op een ander bedrag kan vaststellen. In deze casus verzet één van de erfgenamen zich tegen de uitdelingslijst vanwege bezwaren tegen het loon van de vereffenaar dat al eerder is vastgesteld. De vereffenaar heeft extra kosten gemaakt vanwege deze procedure en verzoekt dan ook om aanvullend salaris. De kantonrechter is van oordeel dat er geen sprake is van verzet, gelet op het feit dat de nalatenschap positief is en behandelt de procedure als een rekening- en verantwoordingsprocedure (artikel 4:221 lid 3 BW jo. artikel 4:161 BW jo. artikel 1:360 BW en artikel 1:374 lid 2 BW). Het eerder vastgestelde loon voor de vereffenaar wordt door de kantonrechter gematigd en het aanvullende loon wordt toegewezen, waarbij de kantonrechter overweegt dat de vereffenaar ‘op zich’ recht heeft op aanvullend loon. De matiging en aanvulling worden vervolgens echter tegen elkaar weggestreept, waardoor de oorspronkelijke salarisbeschikking in stand blijft.

Moment van indienen verzoek vaststellen loon vereffenaar

Uit deze laatste uitspraken kan worden afgeleid dat er helemaal geen sprake is van een uitzondering, als er na het opmaken van de uitdelingslijst nog aanvullend loon aan de vereffenaar wordt toegekend voor werkzaamheden die de vereffenaar daadwerkelijk nadien nog heeft verricht in het kader van bijvoorbeeld een verzetprocedure en die het bestek van de forfaitaire 2 danwel 4 uren te buiten gaan. In dit verband wordt ook gewezen op TE 2023/3 waarin Baetens beschrijft dat voor aanvullende werkzaamheden die in hoedanigheid van vereffenaar zijn verricht in het kader van bijvoorbeeld verzet of beheer tot aan de verdeling (artikel 4:226 BW) aanvullend loon kan worden toegekend. Baetens geeft als suggestie dat in de verzetprocedure zelf al het aanvullend loon kan worden vastgesteld. Die suggestie deed de kantonrechter in eerste aanleg in bovenstaande uitspraak van het Hof Den Bosch ook.  Het Hof Den Bosch heeft echter buiten de verzetprocedure om aanvullend loon van de vereffenaar vastgesteld naar aanleiding van een aanvullend salarisverzoek. Oftewel: wat mij betreft is het een vanzelfsprekendheid dat de vereffenaar nog om aanvullend loon kan vragen, voor werkzaamheden die zijn verricht na het opmaken van de uitdelingslijst en het bestek van de forfaitaire 2-4 uren te buiten gaan en die noodzakelijkerwijs in het kader van de vereffening moesten worden verricht. Of er ook ruimte is om loon vast te stellen voor een vereffenaar, die simpelweg vergeten is een salarisverzoek in te dienen voor het opmaken van de uitdelingslijst, is de vraag.