Onenigheid tussen vereffenaars: de kantonrechter als verlosser!
Het erfrecht wordt steeds meer gevormd en ingekleurd door de rechtspraak. Op 25 april 2025 wees de Hoge Raad wederom een mooi erfrechtelijke beschikking (ECLI:NL:HR:2025:662). Dit keer over artikel 4:198 BW, dat in beeld komt als erfgenamen samen een nalatenschap vereffenen na een beneficiaire aanvaarding. Artikel 4:198 BW bepaalt dat erfgenamen die samen optreden als vereffenaars, hun vereffeningsbevoegdheden samen moeten uitoefenen. Enkel daden van gewoon onderhoud, daden tot behoud van goederen en in het algemeen daden die geen uitstel kunnen lijden, zijn daarvan uitgezonderd en kunnen door ieder van de erfgenamen-vereffenaars zo nodig zelfstandig worden verricht. Daarnaast kan de kantonrechter op grond van artikel 4:198 BW anders bepalen en een andere verdeling van de bevoegdheden c.q. taken tussen de erfgenamen-vereffenaars vaststellen. In AdvoTip 2022-15 besprak ik het toepassingsbereik van artikel 4:198 BW en constateerde ik dat kantonrechters regelmatig een verzoek om een andere taakverdeling afwijzen als dit wordt gevraagd vanwege onenigheid tussen erfgenamen-vereffenaars. Een door de rechtbank benoemde vereffenaar dient in die gevallen volgens veel kantonrechters verlossing te brengen. De Hoge Raad heeft echter op 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:662) meer duidelijkheid gegeven over de verhouding tussen artikel 4:198 BW en artikel 4:203 BW. Dat leidt tot nieuwe inzichten voor de erfrechtpraktijk.
Toepassing van artikel 4:198 BW voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad
Ook na het verschijnen van voornoemde AdvoTip zijn kantonrechters terughoudend gebleven om artikel 4:198 BW te gebruiken als oplossing tussen ruziënde erfgenamen-vereffenaars. De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam oordeelde bijvoorbeeld op 26 september 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:10787) dat wanneer er sprake is van onenigheid tussen de erfgenamen-vereffenaars over de afwikkeling van de vereffening, artikel 4:198 BW geen redmiddel is. Artikel 4:198 BW is er naar het oordeel van de kantonrechter niet voor bedoeld om uiteenlopende geschillen over de vereffening tussen de erfgenamen voor te leggen aan de kantonrechter. Daarvoor heeft de wetgever andere voorzieningen in de wet opgenomen. Als het de erfgenamen als vereffenaars niet lukt om de nalatenschap gezamenlijk te vereffenen, dan kan de rechtbank worden verzocht om een (professionele) vereffenaar te benoemen (artikel 4:203 lid 1 BW).
De kantonrechter van de rechtbank Limburg heeft op 13 juli 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:4093) wel een taakverdeling uitgesproken vanwege onenigheid tussen de erfgenamen-vereffenaars. De casus was echter atypisch omdat hier de verzoekende erfgenaam-vereffenaar ontheven wenste te worden van haar taken. De kantonrechter overwoog ook in deze zaak uitdrukkelijk dat artikel 4:198 BW feitelijk niet is bedoeld om onenigheid tussen de erfgenamen over de afwikkeling van de nalatenschap op te lossen en dus ook geen grond oplevert om aan een of meer erfgenamen zijn of hun vereffenaarsbevoegdheden te ontnemen. Volgens de kantonrechter heeft de wetgever hier een andere mogelijkheid voor bedacht, namelijk de benoeming van een (professionele) vereffenaar. In dit geval is het echter de verzoekende vereffenaar zelf die van haar vereffenaarsbevoegdheden af wil, en is er dus geen sprake van het afnemen van bevoegdheden. De vereffening was bovendien al grotendeels gereed, maar bevond zich in een impasse omdat de erfgenamen-vereffenaars het niet eens werden over verkoop van goederen van de nalatenschap ter voldoening van de schulden. Als de kantonrechter het verzoek zou afwijzen, zou een verzoek tot het benoemen van een professionele vereffenaar moeten worden ingediend, wat in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter zou leiden tot een onevenredige belasting van de toch al zeer geringe nalatenschap. De kantonrechter oordeelde dat het onder deze omstandigheden de voorkeur heeft dat de vereffening door de erfgenamen zelf wordt afgewikkeld en wel door de verwerende erfgenamen-vereffenaars. De hoofdregel blijft volgens de kantonrechter echter dat artikel 4:198 BW geen verlossing biedt voor ruziënde erfgenamen-vereffenaars; de benoeming van een (professionele) vereffenaar is dan de aangewezen weg.
Hoge Raad over taakverdeling tussen vereffenaars door de kantonrechter
In de zaak waarover de Hoge Raad moest oordelen waren broer en zus vereffenaars in de nalatenschap van hun vader. De zus verzocht aan de kantonrechter om op grond van artikel 4:209 lid 1 BW de opheffing van de vereffening te bevelen, waartegen de broer verweer voerde. De broer nam het standpunt in dat zijn zus niet-ontvankelijk moest worden verklaard, omdat een verzoek tot opheffing van de vereffening alleen door de erfgenamen-vereffenaars gezamenlijk kan worden gedaan. Zowel de kantonrechter als het hof stelden de broer in het ongelijk. De broer ging vervolgens in cassatie en nam ook in cassatie het standpunt in dat de twee erfgenamen- vereffenaars op grond van artikel 4:198 BW hun bevoegdheden gezamenlijk dienen uit te oefenen, tenzij de kantonrechter anders bepaalt. Dat geldt volgens de broer ook voor het optreden in rechte. Als de vereffenaars van mening verschillen, dan dienen zij volgens de broer de rechtbank te verzoeken om een andere vereffenaar te benoemen op grond van artikel 4:203 BW. Artikel 4:198 BW zou niet in de mogelijkheid voorzien om de bevoegdheid om in rechte op te treden bij één vereffenaar neer te leggen. Bovendien had de zus volgens de broer dan eerst een aparte procedure bij de kantonrechter moeten starten, met een daartoe strekkend verzoek, voordat zij een verzoek tot opheffing van de vereffening had kunnen indienen.
De Hoge Raad wijst alle bezwaren van de broer van de hand. De Hoge Raad wijst erop dat bij een vereffening van een beneficiair aanvaarde nalatenschap alle erfgenamen vereffenaars zijn (artikel 4:195 lid 1 BW). De erfgenamen oefenen hun bevoegdheden als vereffenaars samen uit, tenzij de kantonrechter anders bepaalt (artikel 4:198 BW). Daarnaast voorziet artikel 4:203 BW in de mogelijkheid dat de rechtbank een vereffenaar benoemt; deze treedt dan als vereffenaar in de plaats van de erfgenamen. Volgens de Hoge Raad bieden de wet noch de wetsgeschiedenis een aanknopingspunt voor de opvatting dat in geval van onenigheid tussen de vereffenaars alleen de weg van artikel 4:203 BW openstaat. In zo’n geval kan de kantonrechter ook op de voet van artikel 4:198 BW de werkzaamheden en bevoegdheden van de vereffenaars anders verdelen. Klare taal, die duidelijk afwijkt van de koers die vele kantonrechters hiervoor volgden! Maar er komt nog meer.
De Hoge Raad gaat vervolgens in op de vertegenwoordiging van de erfgenamen in en buiten rechte. Dit is een taak van de vereffenaar (artikel 4:211 lid 2 BW) die bij een beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap in beginsel door de erfgenamen tezamen moet worden uitgeoefend, tenzij de kantonrechter anders bepaalt. De kantonrechter kan dit laatste volgens de Hoge Raad niet alleen bepalen in een afzonderlijke daartoe strekkende procedure op grond van artikel 4:198 BW. De kantonrechter kan ook een andere taakverdeling bepalen door één of meer van de vereffenaars te ontvangen in een verzoek dat volgens de hoofdregel door de vereffenaars samen had moeten worden ingediend. In dat geval moet wel ten aanzien van de overige vereffenaars recht worden gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Daar was in deze zaak aan voldaan. De broer was immers in de procedure opgeroepen en verschenen. De Hoge Raad verwerpt dan ook het cassatieberoep.
Taakverdeling tussen vereffenaars in de praktijk
De beschikking van de Hoge Raad is van belang voor de erfrechtpraktijk. Allereerst maakt de Hoge Raad duidelijk dat in geval van onenigheid tussen de erfgenamen-vereffenaars niet alleen de weg van benoeming van een vereffenaar door de rechtbank openstaat. Het is mogelijk om de kantonrechter in deze gevallen een andere taakverdeling te laten vaststellen op grond van artikel 4:198 BW. Een belangrijk voordeel hiervan is dat de erfgenamen zelf via de kantonrechter, zonder de kosten van een advocaat en zonder het hoge Recofa-tarief van de benoemde vereffenaar, tot een oplossing zouden kunnen komen in een lichte vereffening. Daarbij blijven ook de regels van de lichte vereffening van toepassing en hoeft dus niet aan de extra formaliteiten van de zware vereffening te worden voldaan. In geval van onenigheid tussen de erfgenamen-vereffenaar kan de tussenkomst van de kantonrechter snel tot een praktische oplossing leiden.
Taakverdeling tussen vereffenaars niet altijd in een aparte procedure
De beschikking van de Hoge Raad is ook anderszins bijzonder praktisch, omdat de tussenstap van een afzonderlijke procedure op grond van artikel 4:198 BW kan worden overgeslagen voor verzoekschriften die volgens de hoofdregel door de erfgenamen-vereffenaars tezamen moeten worden ingediend bij de kantonrechter. Als de vereffenaars het onderling niet eens zijn over bijvoorbeeld het indienen van een verzoek tot opheffing van de vereffening bij de kantonrechter, kan één van de erfgenamen-vereffenaar dit verzoek alleen doen mits de overige vereffenaars behoorlijk worden gehoord of behoorlijk worden opgeroepen. In de beslissing van de kantonrechter om de erfgenaam-vereffenaar alleen te ontvangen in het verzoek tot opheffing, ligt een beslissing over een taakverdeling als bedoeld in artikel 4:198 BW besloten. Dat scheelt weer een extra procedure (waarin eerst op grond van artikel 4:198 BW enkel toestemming wordt gevraagd om het opheffingsverzoek in te dienen) en daarmee kosten en tijdsverlies.
Een interessante vervolgvraag is of die lijn ook kan worden doorgetrokken naar andere procedures? Stel dat een van de erfgenamen-vereffenaars tegen een derde wil procederen en de andere vereffenaars zijn het hier niet mee eens? Uitgangspunt is dat de erfgenamen-vereffenaars slechts gezamenlijk kunnen optreden in rechte, zo benadrukt de Hoge Raad onder verwijzing naar artikel 4:211 lid 2 BW. Als zij niet op een lijn zitten, dan kan de erfgenaam-vereffenaar die wil procederen op grond van artikel 4:198 BW aan de kantonrechter vragen om hem of haar alleen die procesbevoegdheid toe te kennen. Zou de erfgenaam-vereffenaar nu die stap kunnen overslaan en direct een procedure tegen een derde kunnen starten? Waarbij de rechter door de erfgenaam-vereffenaar ontvankelijk te verklaren, daarmee ook beslist over een andere taakverdeling tussen de erfgenamen-vereffenaars als bedoeld in artikel 4:198 BW? Dat zou natuurlijk bijzonder praktisch kunnen zijn, maar lijkt mij toch op formele bezwaren af te stuiten. In de eerste plaats zijn de overige erfgenamen-vereffenaars in beginsel geen partij in de procedure tegen de derde en worden zij in deze procedure in beginsel niet behoorlijk gehoord of opgeroepen, zoals de Hoge Raad verlangt. Ten tweede is de verdeling van de procesbevoegdheid op grond van artikel 4:198 BW een voorvraag die ziet op de onderlinge verhouding tussen de erfgenamen-vereffenaars, waarbij de derde niet betrokken is. Als die wordt beslist in de procedure tegen de derde, is er in feite een procedure (tussen de erfgenamen-vereffenaars) in een procedure (tussen de erfgenaam-vereffenaar en de derde). Dat lijkt mij lastig voorstelbaar. Ook blijft in veel gevallen een formeel obstakel dat op grond van artikel 4:198 BW een verzoekschrift aan de kantonrechter moet worden voorgelegd en de meeste procedures van de nalatenschap tegen derden dagvaardingsprocedures bij de rechtbank zullen zijn. Desalniettemin sluit ik niet uit dat gelet op de deformaliseringstendens in het procesrecht, een rechter wellicht met een praktisch gemoed naar een dergelijke kwestie zal willen kijken, zeker als alle erfgenamen-vereffenaars en de derde op een zitting aanwezig zijn.
Verdelingsprocedure soms beter alternatief
Overigens is bij vorderingen van de nalatenschap op een van de erfgenamen-vereffenaars de tussenstap van artikel 4:198 BW ook om een andere reden vaak niet nodig. Biemans wijst er in JERF 2025/19 terecht op dat wanneer een nalatenschap die moet worden vereffend positief is en inning van een vordering van de nalatenschap op een mede-erfgenaam niet nodig is om schuldeisers te betalen, ook een andere praktische route denkbaar is. In dat geval kan de vordering immers worden meegenomen in de verdelingsprocedure (zie Hoge Raad 6 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:535) met gedwongen schuldtoerekening.
De kantonrechter als verlosser
Waar ik mij in 2022 nog afvroeg of de kantonrechter de verlosser kan zijn voor ruziënde erfgenamen-vereffenaars en daar (grote) twijfels over had, heeft de Hoge Raad het verlossende woord gegeven. Benoeming van een professionele vereffenaar is zeker niet altijd nodig bij ruziënde erfgenamen-vereffenaars. De kantonrechter kan weldegelijk de verlosser zijn!
