De vereffening van een nalatenschap komt op grond van artikel 4:202 lid 1 sub a BW in beeld wanneer de nalatenschap door een of meer erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving (dus: beneficiair) is aanvaard. In zo’n situatie is de vereffenaar de vertegenwoordiger van de erfgenamen in en buiten rechte. De erfgenamen zijn op grond van artikel 4:211 lid 2 BW niet bevoegd om zonder medewerking van de vereffenaar of machtiging van de kantonrechter over de goederen van de nalatenschap of hun aandeel daarin te beschikken.
Een uitzondering op het uitgangspunt dat een nalatenschap moet worden vereffend wanneer een of meer erfgenamen de nalatenschap beneficiair heeft/hebben aanvaard, wordt gemaakt in de situatie waarin er een executeur benoemd is, die deze benoeming ook heeft aanvaard, en deze executeur kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. In die situatie vertegenwoordigt de executeur de erfgenamen in en buiten rechte op grond van artikel 4:145 lid 2 BW.
In een recent arrest van het hof Den Haag had de executeur ten onrechte een ruimschoots toereikend verklaring afgelegd, met als gevolg dat er discussie is ontstaan over het antwoord op de vraag of de executeur wel beschikkingsbevoegd was om een onroerende zaak te verkopen en leveren aan een koper in de periode van de executele.
Executeur of vereffenaar?
In het arrest van het hof Den Haag van 22 juli 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1538) ging het om een nalatenschap van een arts die in 2017 is overleden (hierna te noemen: ‘erflater’), waarvan wordt vermoed dat hij bij leven in strijd met de regels in een spermakliniek zijn eigen zaad bij cliënten heeft geïnsemineerd in plaats van het zaad van (anonieme) donoren, een gebrekkige administratie voerde, donorzaad van verschillende donoren mengde en het maximum aantal kinderen per donor overschreed. De Stichting Donorkind + Defence for Children heeft erflater in privé en als bestuurder van de spermakliniek aansprakelijk gesteld voor de schade die veroorzaakt is door het toerekenbaar tekort schieten in de behandelingsovereenkomst met de donorouders en voor het maken van een beroepsfout jegens de donorkinderen.
Erflater heeft in zijn testament gekozen voor de wettelijke verdeling ex artikel 4:13 BW. Hij heeft zijn echtgenote voor de ene helft van zijn nalatenschap en een aantal kinderen en een stiefkind voor de andere helft van zijn nalatenschap tot erfgenaam benoemd. De echtgenote van erflater is tot executeur benoemd, en heeft deze benoeming ook aanvaard. In 2018 heeft de echtgenote van erflater in haar hoedanigheid van executeur een boedelbeschrijving gedeponeerd van de nalatenschap van erflater. In deze boedelbeschrijving is geen post opgenomen voor de voldoening van de (mogelijke) vorderingen van de donorouders en donorkinderen. Kort daarna heeft de notaris een verklaring van erfrecht afgegeven met betrekking tot de nalatenschap van erflater. In deze verklaring van erfrecht staat dat de nalatenschap in beginsel moeten worden afgewikkeld op grond van de regels van de vereffening omdat de nalatenschap door alle erfgenamen beneficiair is aanvaard, maar dat de erfgenamen vrijgesteld zijn van deze verplichting tot vereffening omdat de executeur heeft aangetoond dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots voldoende zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Met andere woorden: de echtgenote van erflater heeft een ruimschoot toereikend verklaring in de zin van artikel 4:202 lid 1 sub a BW afgelegd. Overigens is in de verklaring van erfrecht opgenomen dat zij niet alleen als executeur beschikkingsbevoegd is, maar ook als langstlevende echtgenoot.
In 2019 heeft de echtgenote van erflater een onroerende zaak verkocht en geleverd aan een derde (hierna te noemen: ‘koper 1’). Uit de akte van levering – onder verwijzing naar de verklaring van erfrecht – blijkt dat zij dit niet in de hoedanigheid van executeur gedaan, maar pro se, als langstlevende echtgenote die alle goederen van de nalatenschap en daarmee ook de onroerende zaak op grond van de wettelijke verdeling van rechtswege verkregen heeft. Koper 1 heeft op zijn beurt (een deel van) deze onroerende zaak verkocht en geleverd aan een andere koper (hierna te noemen: ‘koper 2’).
Enige tijd later (uit de uitspraak blijkt niet wanneer precies) wordt er een vereffenaar benoemd met het oog op de vereffening van de nalatenschap van erflater. De vereffenaar heeft eveneens een (voorlopige) boedelbeschrijving opgesteld. Ook de vereffenaar heeft in de boedelbeschrijving geen post opgenomen voor de (mogelijke, door hem betwiste) vorderingen van de donorouders en donorkinderen.
Ruimschoots toereikend verklaring en beschikkingsbevoegdheid
In de onderhavige procedure staat de vraag centraal of de echtgenote van erflater beschikkingsbevoegd was om de onroerende zaak te verkopen en leveren aan koper 1 en koper 1 de rechtmatig eigenaar is geworden van de onroerende zaak. Deze procedure is gestart door de vereffenaar.
In eerste aanleg oordeelt de rechtbank dat de echtgenote van erflater in haar hoedanigheid van executeur ten onrechte een ruimschoots toereikend verklaring heeft afgelegd, dat de echtgenote van erflater daarmee toerekenbaar tekort is geschoten bij de uitoefening van haar taak als executeur van de nalatenschap van erflater en dat zij de schade die de nalatenschap en de gezamenlijke schuldeisers daardoor hebben geleden, moet vergoeden. Ook verklaart de rechtbank voor recht dat er met betrekking tot de onroerende zaak geen rechtsgeldige eigendomsoverdracht in de zin van artikel 3:84 BW heeft plaatsgevonden tussen de echtgenote van erflater en koper 1.
Koper 1 is het met deze uitspraak niet eens en gaat in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank in eerste aanleg. Overigens zijn er meer partijen die in hoger beroep zijn gaan tegen het vonnis in eerste aanleg. Zo heeft bijvoorbeeld ook koper 2 hoger beroep ingesteld. Een niet rechtsgeldige eigendomsoverdracht van de onroerende zaak tussen de echtgenote van erflater en koper 1 heeft ook consequenties voor de rechtsgeldigheid van de eigendomsoverdracht van (een deel van) de onroerende zaak tussen koper 1 en koper 2. Koper 1 is in dat geval immers niet beschikkingsbevoegd om (een deel van) de onroerende zaak op zijn beurt te verkopen en leveren aan koper 2. Het arrest van het hof in dit hoger beroep is gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:GHDHA:2025:1539. En ook de arresten van het hof met de nummers ECLI:NL:GHDHA:2025:1535 en ECLI:NL:GHDHA:2025:1536 hebben betrekking op de afwikkeling van deze nalatenschap.
In het vervolg van dit artikel zal het arrest van het hof met nummer ECLI:NL:GHDHA:2025:1538 centraal staan, omdat in dit arrest ook het beroep op de actio pauliana door de vereffenaar inhoudelijk besproken wordt.
Koper 1 stelt zich in hoger beroep onder andere op het standpunt dat de vereffenaar niet bevoegd zou zijn om te procederen en dat de door de vereffenaar opgestarte procedures niet in het belang zijn van de schuldeisers van de nalatenschap; de donorkinderen zijn in de visie van koper 1 geen schuldeisers. Ook mocht de echtgenote van erflater in de visie van koper 1 wel degelijk een ruimschoots toereikend verklaring afleggen en was de echtgenote van erflater – in haar hoedanigheid van executeur – wel degelijk beschikkingsbevoegd om de onroerende zaak aan koper 1 te verkopen en leveren. Ook stelt koper 1 zich in hoger beroep op het standpunt dat de vereffenaar op grond van de wet niet de bevoegdheid heeft om namens de gezamenlijke schuldeisers rechtshandelingen te vernietigen op grond van de actio pauliana van artikel 3:45 BW respectievelijk artikel 42 en 47 Fw. De vereffenaar vertegenwoordigt bij de uitvoering van zijn taken namelijk de erfgenamen en niet de schuldeisers, aldus koper 1.
Procesbevoegdheid vereffenaar
In hoger beroep oordeelt het hof allereerst dat de vereffenaar in deze kwestie procesbevoegdheid toekomt. Op grond van artikel 4:211 lid 1 BW heeft een vereffenaar tot taak de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen en vertegenwoordigt hij op grond van artikel 4:211 lid 2 BW bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte. Vergelijkbaar met de curator in een faillissement moet een vereffenaar bij de vervulling van zijn taak in het bijzonder rekening houden met de belangen van de schuldeisers van de nalatenschap. Uit de boedelbeschrijvingen blijken onder andere schulden van erflater bij de advocaat van erflater, bij de echtgenote van erflater in verband met de afwikkeling van de overeengekomen huwelijkse voorwaarden, kosten in verband met de vereffening en mogelijk ook nog een vordering van de donorkinderen op erflater. De belangen van alle schuldeisers moeten naar het oordeel van het hof door de vereffenaar worden behartigd, waarbij geldt dat het vaststellen van de samenstelling en omvang van de nalatenschap en het als een goed vereffenaar beheren van de nalatenschap tot de kerntaken van de vereffenaar behoren.
Karakter ruimschoots toereikend verklaring
Ten aanzien van het afleggen van de ruimschoots toereikend verklaring door de echtgenote van erflater pakt het hof terug op de parlementaire geschiedenis. Hieruit volgt dat een ruimschoots toereikend verklaring niet alleen wil zeggen dat de bekende activa de bekende passiva ruimschoots overtreffen, maar dat ook voldoende moet vaststaan dat er geen nieuwe passiva opduiken. Het saldo van de nalatenschap moet ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Vanwege de bij de echtgenote van erflater bekende aansprakelijkstelling van donorkinderen en hun ouders stond allesbehalve vast dat er geen nieuwe passiva zouden opduiken. Omdat de rechtbank in eerste aanleg geoordeeld heeft dat de ruimschoots toereikend verklaring onjuist was en de echtgenote van erflater tegen dit vonnis in eerste aanleg geen hoger beroep heeft ingesteld, faalt de grief van koper 1 over het al dan niet terecht afgeven van de ruimschoots toereikend verklaring. Daarbij overweegt het hof dat de ruimschoots toereikend verklaring gekwalificeerd moet worden als een eenzijdige rechtshandeling, die alleen door de executeur tot stand kan worden gebracht en geen instemming of medewerking van een ander behoeft. Ook overweegt het hof daarbij dat het afleggen van de ruimschoots toereikend verklaring een belangrijk rechtsgevolg heeft, namelijk dat er in beginsel een einde komt aan de vereffening, waardoor het gevolgen heeft voor de beschikkingsbevoegdheid.
Hoe lang is de ruimschoots toereikend verklaring geldig?
Toch vangt koper 1 niet op alle ingediende grieven bot. Het hof oordeelt namelijk dat zodra de ruimschoots toereikend verklaring is afgelegd en zolang deze niet is ingetrokken, de executeur in functie is en de door de executeur verrichte handelingen in beginsel rechtsgeldig zijn. Het intrekken van de ruimschoots toereikend verklaring heeft geen terugwerkende kracht. Op basis van de door de echtgenote van erflater afgelegde ruimschoots toereikend verklaring heeft de notaris een verklaring van erfrecht opgemaakt. Onder verwijzing naar de Asser-serie (Asser/Perrick 4 2021/603) oordeelt het hof dat handelingen die de executeur heeft verricht in de periode tot de eventuele intrekking van de ruimschoots toereikend verklaring, rechtsgeldig zijn. In deze zaak is het echter niet tot een intrekking van de ruimschoots toereikend verklaring gekomen. De echtgenote van erflater bleef namelijk executeur tot haar taak eindigde met de benoeming van de vereffenaar. Pas later is geoordeeld dat de echtgenote van erflater ten onrechte een ruimschoots toereikend verklaring had afgelegd. Omdat de koper bij de levering van de onroerende zaak uit mocht gaan van de verklaring van erfrecht, waaruit bleek dat er een ruimschoots toereikend verklaring afgegeven was op grond waarvan de echtgenote van erflater de functie van executeur vervulde én de echtgenote pro se beschikkingsbevoegd was uit hoofde van de wettelijke verdeling, oordeelt het hof dat koper 1 er bij de levering van de onroerende zaak vanuit mocht gaat dat wat in de verklaring van erfrecht stond, correct was. Ook mocht koper 1 erop vertrouwen dat wat in de akte van levering stond, correct was met betrekking tot de beschikkingsbevoegdheid van de echtgenote van erflater. Daarmee kon koper 1 (een deel van) het onroerend goed ook rechtsgeldig verkopen aan koper 2.
De vereffenaar en de actio pauliana
Ook oordeelt het hof ten aanzien van de actio pauliana dat de vereffenaar hier inderdaad geen geslaagd beroep op kan doen. Er is geen wettelijke grondslag opgenomen in Boek 4 BW voor toepasselijkheid van de faillissementspauliana van artikel 42 en/of artikel 47 Fw. Een beroep op artikel 3:45 BW slaagt niet, aangezien een vereffenaar de belangen van de gezamenlijke schuldeisers behartigt, terwijl een geslaagd beroep op artikel 3:45 BW slechts aan de individuele schuldeiser toekomt.
Betekenis arrest hof Den Haag 22 juli 2025 voor de erfrechtpraktijk
Voor de rechtspraktijk is dit arrest van belang, omdat het inzichtelijk maakt dat de beschikkingsbevoegdheid van een executeur die een ruimschoots toereikend verklaring heeft afgelegd in een nalatenschap die door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard, pas eindigt nadat de ruimschoots toereikend verklaring is ingetrokken. Het intrekken van deze verklaring heeft – naar het oordeel van het gerechtshof – immers geen terugwerkende kracht. Wanneer blijkt dat een executeur ten onrechte een ruimschoots toereikend verklaring heeft afgelegd, is het daarom van belang ervoor te zorgen dat deze verklaring zo snel mogelijk ingetrokken wordt. Dat is niet alleen in het belang van de schuldeisers in de nalatenschap, maar ook in het belang van de executeur zelf in verband met het aansprakelijkheidsrisico dat de executeur loopt.
Dit arrest illustreert eveneens dat wanneer een (voormalig) executeur geen hoger beroep instelt tegen het oordeel van de rechtbank in eerste aanleg dat ten onrechte een ruimschoots toereikend verklaring is afgelegd door de executeur, een andere belanghebbende – zoals in deze procedure koper 1 – tegen dit gedeelte van het oordeel geen hoger beroep in kan stellen. Dit vanwege het feit dat het hof het afleggen van zo’n verklaring kwalificeert als een eenzijdige rechtshandeling, die alleen door de executeur kan worden afgelegd en waarvoor geen instemming of medewerking van een ander nodig is. Daarmee kwalificeert het hof de ruimschoots toereikend verklaring als een eenzijdige, ongerichte rechtshandeling. Dit is een eenzijdige rechtshandeling waarbij de verklaring niet gericht is tot een bepaalde persoon of tot bepaalde personen. Met andere woorden: de ongerichte eenzijdige rechtshandeling heeft geen ‘ontvanger’ (GS Vermogensrecht, artikel 3:33 BW, aant. 4.2). Andere belanghebbenden dan de executeur zelf kunnen zich dus de moeite besparen om een beslissing aan te vechten die ziet op het ten onrechte afleggen van een ruimschoot toereikend verklaring. Het is alleen de executeur zelf die tegen zo’n oordeel beroep in kan stellen. Althans, zo ziet het hof dit. Het is de vraag of deze visie ook gedeeld wordt door de Hoge Raad.
Dit arrest onderstreept eveneens de waarde van de verklaring van erfrecht in dit soort kwesties en in het verlengde daarvan de grote verantwoordelijkheid die de notaris op dit punt heeft. Ook al had de echtgenote van erflater in deze zaak als executeur niet de ruimschoots toereikend verklaring af mogen geven en had de nalatenschap feitelijk vereffend moeten worden, toch mocht de eerste koper van de onroerende zaak ervan uitgaan dat de echtgenote als executeur nog in functie was én dat zij pro se beschikkingsbevoegd was om de onroerende zaak te leveren op basis van de verklaring van erfrecht. Derden mogen dus vertrouwen op de juistheid van de inhoud van de verklaring van erfrecht, en de notaris die de verklaring van erfrecht afgeeft is ervoor verantwoordelijk dat de verklaring van erfrecht inhoudelijk correct is.
Ook de vraag of een vereffenaar een rechtshandeling kan vernietigen door een geslaagd beroep te doen op de actio pauliana van artikel 3:45 BW respectievelijk artikel 42 en/of artikel 47 Fw, wordt door het hof duidelijk beantwoord: het antwoord is nee. De actio pauliana komt in beeld wanneer een schuldenaar bij het verrichten van een rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn. Wordt voldaan aan de voorwaarden van de actio pauliana, dan is zo’n rechtshandeling vernietigbaar. De wet bevat drie artikelen rondom de actio pauliana: artikel 42 en 47 Fw in het kader van het faillissement en artikel 3:45 BW voor situaties buiten het faillissement om. Al in 1918 heeft de Hoge Raad bepaald dat de bevoegdheid om zich op de actio Pauliana van artikel 3:45 BW te beroepen uitsluitend toekomt aan de schuldeisers van de schuldenaar. Maar in geval van een faillissement zal de curator ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers een beroep op de actio pauliana doen (GS Vermogensrecht, artikel 3:45 BW, aant. 2.2). De argumentatie van het hof – dat een beroep op artikel 3:45 BW niet slaagt, aangezien een vereffenaar de belangen van de gezamenlijke schuldeisers behartigt, terwijl een geslaagd beroep op artikel 3:45 BW slechts aan de individuele schuldeiser toekomt – lijkt wellicht minder steekhoudend te zijn. Een vereffenaar behartigt immers in het kader van de afwikkeling van een nalatenschap – net als een curator in het kader van de afwikkeling van een faillissement – wel degelijk de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Het is dus de vraag of de Hoge Raad op dit punt tot eenzelfde oordeel zou komen als het hof in de onderhavige procedure.
Dat de vereffenaar geen beroep kan doen op de faillissementspauliana van artikel 42 en 47 Fw, is in overeenstemming met de strekking van de schakelbepaling van artikel 4:218 lid 5 Fw. Op grond van deze schakelbepaling worden bepaalde voorschriften rondom de vereffening uit de Faillissementswet zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing verklaard op de vereffening in erfrechtkwesties. Deze schakelbepaling van artikel 4:218 lid 5 BW luidt als volgt:
“Voor het overige vinden bij de berekening van ieders vordering, het opmaken van de uitdelingslijst en het verzet daartegen de dienaangaande in de Faillissementswet voorkomende voorschriften zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.”
Hieruit blijkt dat de faillissementspauliana van artikel 42 en 47 Fw niet van overeenkomstige toepassing worden verklaard in de schakelbepaling, zodat een vereffenaar van een nalatenschap geen beroep kan doen op artikel 42 en 47 Fw. Het ligt niet voor de hand dat de Hoge Raad tot een ander oordeel op dit punt zal komen, maar als gezegd zijn er wellicht toch mogelijkheden voor een vereffenaar om een geslaagd beroep te doen op de actio pauliana van artikel 3:45 BW.
