Een terugkerend dilemma in de praktijk
Bij de afwikkeling van nalatenschappen wordt de executeur regelmatig geconfronteerd met aanspraken die nog niet vaststaan. Denk aan een aangekondigde legitimaire vordering, een discussie over een vermeende geldlening aan erflater of een betwiste schenking. Vaak is nog onduidelijk of de betreffende aanspraak daadwerkelijk bestaat, laat staan wat de uiteindelijke omvang daarvan zal zijn.
Dat roept een praktische vraag op: in hoeverre moet een executeur bij de afwikkeling van de nalatenschap rekening houden met dergelijke potentiële vorderingen? Mag worden uitgegaan van uitsluitend vaststaande schulden, of verlangt een zorgvuldige boedelafwikkeling dat ook rekening wordt gehouden met aanspraken die nog onderwerp van discussie zijn?
Deze vraag kwam recent aan de orde in een kort geding bij de Rechtbank Gelderland waarin op 21 april 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:3840) vonnis werd gewezen.
De wettelijke taak van de executeur
De executeur heeft op grond van artikel 4:144 BW tot taak de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit de goederen van de nalatenschap behoren te worden voldaan. Die taak brengt mee dat hij zich een beeld moet vormen van de schuldenpositie van de nalatenschap alvorens tot uitkeringen aan erfgenamen of afgifte van legaten over te gaan.
De wet geeft geen expliciete maatstaf hoe om te gaan met vorderingen die nog niet vaststaan. Het enkele feit dat een vordering wordt betwist, betekent niet dat deze niet bestaat. Omgekeerd kan van de executeur niet worden verlangd dat hij iedere onbewezen aanspraak behandelt alsof deze vaststaat.
Juist daar ligt het spanningsveld. Erfgenamen en legatarissen hebben belang bij een voortvarende afwikkeling, terwijl de executeur moet voorkomen dat schuldeisers worden benadeeld doordat vermogen te vroeg aan de nalatenschap wordt onttrokken.
Daarbij is van belang dat een legaat weliswaar een schuld van de nalatenschap vormt (artikel 4:7 lid 1 sub h BW), maar niet dezelfde bescherming geniet als andere schulden van de nalatenschap. Een legaat heeft de laagste rangorde van de schulden van de nalatenschap. Uit artikel 4:120 BW volgt dat een legaat onder omstandigheden moet worden verminderd wanneer de nalatenschap ontoereikend blijkt om andere schulden te voldoen. De bescherming van de andere schuldeisers (met een hogere rang) gaat daarmee voor het belang van de legataris bij onmiddellijke afgifte.
Rechtbank Gelderland 21 april 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:3840)
In deze zaak traden de executeurs op in een beneficiair aanvaarde nalatenschap waarin al een ruimschootsverklaring als bedoeld in artikel 4:202 lid 1 onder a BW was afgelegd. Een legataris vorderde in kort geding afgifte van een aanzienlijk legaat van de executeurs. Tegelijkertijd was er sprake van een derde die mogelijk een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid op de nalatenschap had. De executeurs hadden al gesprekken met deze derde gevoerd, maar er was nog geen sprake van een aansprakelijkstelling. Anderzijds was er ook nog niet afgezien van een aansprakelijkstelling.
De voorzieningenrechter wees de vordering tot afgifte van het legaat af. Daarbij werd van belang geacht dat onvoldoende zekerheid bestond dat andere schuldeisers niet zouden worden benadeeld als al tot afgifte zou worden overgegaan. De omstandigheid dat reeds een ruimschootsverklaring was afgelegd, maakte dit niet anders.
Interessant is dat de voorzieningenrechter niet verlangt dat eerst vaststaat dat de gestelde vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid daadwerkelijk bestaat. De voorzieningenrechter overweegt dat er niet slechts sprake is van een schuld van de nalatenschap als deze al in rechte is vastgesteld of als erflater al voor overlijden formeel aansprakelijk was gesteld. Doorslaggevend lijkt dat sprake was van een voldoende concreet en reëel risico dat de nalatenschap uiteindelijk met die schuld zou worden geconfronteerd. Onder die omstandigheden achtte de voorzieningenrechter het niet verantwoord om al vermogen aan de nalatenschap te onttrekken.
Opvallend is dat de voorzieningenrechter de kwestie niet uitsluitend benadert vanuit de vraag of het legaat reeds kan worden afgegeven. De voorzieningenrechter is ook bereid – kennelijk mede op aandringen van partijen ter zitting – om een aantal aanwijzingen en gezichtspunten te delen ten aanzien van overige geschilpunten die partijen verdeeld houden. Omdat de omvang en gevolgen van de gepretendeerde vordering nog onvoldoende duidelijk waren, bestond er onzekerheid over de vraag of de nalatenschap daadwerkelijk ruimschoots toereikend was om alle schulden te voldoen. Mede tegen die achtergrond overwoog de voorzieningenrechter dat aannemelijk is dat de ruimschootsverklaring zal moeten worden ingetrokken en dat vereffening van de nalatenschap alsnog de aangewezen route is.
Hoewel de uitspraak in kort geding is gewezen en daarmee een voorlopig karakter heeft, sluit de beslissing goed aan bij het wettelijke systeem. Niet de vraag of een vordering reeds is toegewezen staat centraal, maar de vraag of voldoende zekerheid bestaat over de schuldenpositie van de nalatenschap om reeds tot uitkeringen over te kunnen gaan.
Betekenis voor de ruimschootsverklaring
De betekenis van de uitspraak ligt naar mijn mening niet alleen in een nadere invulling van de zorgplicht van de executeur, maar vooral in de wijze waarop moet worden omgegaan met onzekerheid over de schuldenpositie van de nalatenschap.
De uitspraak laat zien dat een potentiële vordering niet alleen relevant kan zijn voor de vraag of een executeur tot betaling van andere schulden kan overgaan, maar ook voor de vraag of een ruimschootsverklaring wel kan worden gehandhaafd. Zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over substantiële aanspraken op de nalatenschap, kan onzekerheid bestaan over de daadwerkelijke schuldenpositie van de nalatenschap.
Dat geldt temeer wanneer de gestelde vordering van zodanige omvang is dat zij de beoordeling van de solvabiliteit van de nalatenschap wezenlijk kan beïnvloeden. In dat geval kan vereffening alsnog in beeld komen, ook wanneer aanvankelijk werd uitgegaan van een ruimschoots toereikende nalatenschap.
Wanneer staat een potentiële vordering aan een ruimschootsverklaring in de weg?
De uitspraak betekent niet dat iedere aangekondigde of hypothetische claim de afwikkeling van een nalatenschap kan blokkeren. De executeur zal steeds een eigen beoordeling moeten maken van de aannemelijkheid van de aanspraak en de mogelijke gevolgen daarvan voor de boedel.
Van belang kunnen onder meer zijn:
- De juridische onderbouwing van de gestelde vordering;
- De vraag of er een procedure loopt ter vaststelling van de vordering;
- De omvang van de vordering in verhouding tot het beschikbare nalatenschapsvermogen;
- De mogelijkheid om een reservering aan te houden;
- De vraag of de belangen van betrokkenen kunnen worden gediend met een gedeeltelijke uitkering.
Niet iedere onzekerheid rechtvaardigt stilstand. Tegelijkertijd laat de uitspraak zien dat voldoende concrete aanspraken niet kunnen worden genegeerd bij de beoordeling van de schuldenpositie van de nalatenschap.
In de praktijk verdient het aanbeveling om dergelijke afwegingen zorgvuldig vast te leggen in het dossier. Niet alleen vanuit transparantie richting erfgenamen en legatarissen, maar ook om achteraf inzichtelijk te maken waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt.
De executeur moet rekening houden met potentiële schulden
De uitspraak van de Rechtbank Gelderland bevestigt dat bij de beoordeling of een nalatenschap ruimschoots toereikend is, niet uitsluitend hoeft te worden gekeken naar reeds vaststaande schulden. Ook voldoende concrete potentiële schulden kunnen daarbij een rol spelen.
Als dergelijke aanspraken van substantiële omvang zijn, kunnen zij niet alleen aanleiding vormen om afgifte van een legaat aan te houden, maar ook gevolgen hebben voor de vraag of een ruimschootsverklaring kan worden gehandhaafd. De uitspraak laat daarmee zien dat onzekerheid over een potentiële schuld onder omstandigheden kan leiden tot de conclusie dat vereffening van de nalatenschap alsnog de aangewezen route is.
