Rentevorderingen, het fixatiebeginsel en de legitieme portie

Op 17 september 2021 heeft de Hoge Raad een voor vereffenaars belangrijk arrest gewezen waarin onder meer antwoord is gegeven op de prejudiciële vraag of het fixatiebeginsel van artikel 128 Faillissementswet van overeenkomstige toepassing is op de vereffening van nalatenschappen (ECLI:NL:HR:2021:1272). Het antwoord op deze vraag is mede relevant voor de vraag of rente over de schulden van de nalatenschap doorloopt tijdens een vereffening. In zijn arrest overweegt de Hoge Raad dat hij geen aanwijzingen in de parlementaire geschiedenis heeft gevonden dat de wetgever met de verwijzing naar de Faillissementswet in artikel 4:218 lid 5 BW ook beoogd heeft het fixatiebeginsel van toepassing te verklaren op de vereffening van nalatenschappen. Kortom, het fixatiebeginsel is niet van toepassing op de vereffening van een nalatenschap.

De Hoge Raad overweegt in zijn arrest eveneens dat renteverplichtingen die voortvloeien uit een bij leven van de erflater bestaande of daaruit voortvloeiende verbintenis ook aan te merken zijn als een schuld zoals bedoeld in artikel 4:7 lid 1 sub a BW. Dit leidt tot de vraag of rentevorderingen die zijn ontstaan na het openvallen van de nalatenschap in de berekening van de legitieme portie moeten worden meegenomen.

Als vereffenaar krijgt men ook geregeld te maken met een legitimaris die aanspraak maakt op de legitieme portie. De vraag is dan of de rentevorderingen, die de Hoge Raad als artikel 4:7 lid 1 sub a-schulden kwalificeert als zij voortvloeien uit een bij leven van de erflater bestaande of daaruit voortvloeiende verbintenis, in aanmerking moet worden genomen. Op grond van artikel 4:65 BW wordt de legitimaire massa immers berekend over de waarde van goederen van de nalatenschap, welke wordt verminderd met onder andere de in artikel 4:7 lid 1 sub a-schulden. Deze vraag moest ook worden beantwoord in een procedure bij Rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2025:8655).

Waar ging het over in deze zaak? Eiseres is onterfd in de nalatenschap van haar moeder. Gedaagde is tot enig erfgenaam en executeur benoemd. In het kader van de vaststelling van de legitieme portie komt de vraag aan de orde of de rente over een hypothecaire lening – welke lening kwalificeert als een artikel 4:7 lid 1 sub a -schuld – die is ontstaan ná het overlijden van erflater ook tot de artikel 4:7 lid 1 sub a-schuld van erflater behoort die niet teniet is gegaan met zijn dood en dus in de berekening moet worden meegenomen.

De rechtbank overweegt dat het niet de bedoeling van de Hoge Raad kan zijn geweest dat ook bij de berekening van de legitieme portie de na het openvallen van de nalatenschap lopende rente over de schulden van de erflater moet worden meegeteld. Volgens de rechtbank behoren de met de hypothecaire lening samenhangende rentevorderingen dan ook niet tot de artikel 4:7 lid 1 sub a-schulden zoals bedoeld in artikel 4:65 BW.

Volgens de rechtbank dient de beslissing van de Hoge Raad over de rente te worden begrepen binnen de rechtsverhouding tussen de schuldeiser van de erflater — die in elk geval recht heeft op rente — en de erfgenaam die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, en die in beginsel niet draagplichtig is voor de tot de nalatenschap behorende schulden van de erflater. Deze rechtsverhouding verschilt volgens de rechtbank van de rechtsverhouding tussen de legitimaris en de erfgenaam. In laatstgenoemde verhouding is de door de Hoge Raad genoemde rechtvaardiging voor de betreffende regel derhalve niet van toepassing, aldus de rechtbank.

Daarnaast voert de rechtbank aan dat indien de na overlijden opengevallen rente wel zou moeten worden meegenomen in de berekening van de legitieme portie, onduidelijk is tegen welke datum de in de berekening te betrekken schuld zou moeten worden vastgesteld. Ook zou dat tot gevolg hebben dat, naarmate de tijd verstrijkt, de aanspraak van de legitimaris steeds verder afneemt.

Alhoewel de voornoemde bezwaren terecht zijn, is het de vraag of de conclusie van de rechtbank – dat de met de hypothecaire lening samenhangende rentevorderingen niet tot de artikel 4:7 lid 1 sub a-schulden behoren zoals bedoeld in artikel 4:65 BW – juist is. De Hoge Raad heeft namelijk expliciet geoordeeld dat renteverplichtingen die voortvloeien uit een bij leven van de erflater bestaande of daaruit voortvloeiende verbintenis ook aan te merken zijn als een schuld zoals bedoeld in artikel 4:7 lid 1 sub a BW.

De vraag is dan ook of het wel aannemelijk is dat het oordeel van de Hoge Raad met betrekking tot rentevorderingen buiten toepassing zou blijven ten aanzien van artikel 4:65 BW, en dat rentevorderingen uitsluitend in het kader van de vereffening in aanmerking zouden mogen worden genomen bij de vaststelling van de legitieme portie. Volgens de door de rechtbank gevolgde benadering zouden na het overlijden ontstane rentevorderingen wel ter verificatie kunnen worden aangemeld in het kader van de vereffening, waardoor zij het resterende actief verminderen dat beschikbaar is voor uitkering aan legitimarissen, maar zouden zij geen rol spelen bij de vaststelling van de omvang van de legitieme portie zelf.

Ik meen dat voornoemde vragen en onduidelijkheden zullen blijven bestaan totdat de Hoge Raad (al dan niet door het beantwoorden van nieuwe prejudiciële vragen) zich hierover uitlaat.  Zo zien we maar weer dat wat we inmiddels weten over de vereffening ook in de rest van het erfrecht een rol speelt.