In onze praktijk krijgen wij regelmatig vragen over testamenten waarvan de geldigheid ter discussie staat. Vaak wordt dan gesteld dat iemand op het moment van ondertekenen van het testament niet meer wilsbekwaam was.
Dit soort kwesties speelt meestal in het civiele recht, bijvoorbeeld bij de afwikkeling van een nalatenschap. Onlangs deed het hof Den Bosch echter uitspraak in een strafzaak waarin een dochter werd veroordeeld omdat zij volgens het hof bewust gebruik had gemaakt van een vals testament van haar moeder. In dit artikel wordt deze zaak besproken (Gerechtshof ?s-Hertogenbosch 12 februari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:307).
Wat speelde in deze procedure?
Een dochter (de verdachte) had het initiatief genomen om voor haar moeder een testament te laten opstellen. Daarnaast werden ook een levenstestament en een algehele volmacht opgesteld. Volgens het hof stond vast dat niet de moeder zelf, maar de dochter het hele traject voor het opstellen van deze notariële akten had georganiseerd. Zo had de dochter contact opgenomen met de notaris, werden de conceptakten niet naar de moeder maar naar de dochter gestuurd en was de dochter samen met haar echtgenoot aanwezig bij het gesprek met de notaris en bij het ondertekenen van de notariële akten.
De dochter heeft het testament vervolgens gebruikt om een verklaring van erfrecht te laten opstellen.Haar werd onder andere ten laste gelegd dat zij opzettelijk gebruik had gemaakt van een vals testament. Het opzettelijk gebruik maken van een valse akte is strafbaar gesteld in artikel 227 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.
De gezondheidssituatie van moeder
De moeder verbleef al sinds november 2015 in een verpleeghuis dat gespecialiseerd is in de zorg voor mensen met dementie. Haar gezondheid was in de loop van de tijd sterk achteruitgegaan. De dochter was hiervan op de hoogte. Op haar verzoek zijn namelijk een bewind en mentorschap ingesteld door de rechtbank. In het verzoekschrift was aangegeven dat de moeder als gevolg van haar dementie niet meer in staat was haar eigen belangen goed te behartigen.
In het kader van de strafzaak is door een deskundige onderzocht of de moeder op 13 juni 2016 nog in staat was een testament te laten opstellen. De deskundige concludeerde dat met een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid kon worden vastgesteld dat de moeder op dat moment niet meer wilsbekwaam was. Bovendien gaf de deskundige aan dat een notaris, indien deze zorgvuldiger te werk was gegaan, tot geen andere conclusie had kunnen komen dan dat het testament niet mocht worden gepasseerd.
Wetenschap aan de zijde van de dochter
Het hof moest de vraag beantwoorden of de dochter wist dat haar moeder niet wilsbekwaam was en of zij daarom moest begrijpen dat de inhoud van het testament niet kon overeenkomen met de werkelijke wil van haar moeder.
Op basis van het deskundigenonderzoek stelde het hof vast dat de moeder op de dag van het ondertekenen van het testament niet meer in staat was haar wil te bepalen en dat de dochter dat wist. Toch stond in het testament dat de moeder de wens had dat haar dochter als enige erfgename werd aangewezen. Die verklaring over haar wil was volgens het hof onjuist.
Ook stond in het testament vermeld dat de moeder de Nederlandse taal voldoende beheerste en geen vertaling nodig had. Ook dat was niet juist. De dochter wist immers dat haar moeder de Nederlandse taal niet goed sprak. In het dagelijks leven werd juist Duits met haar gesproken.
Het hof kwam tot de conclusie dat de dochter wist dat in het testament meerdere onjuiste verklaringen waren opgenomen.
Opzettelijk gebruik maken van het valse testament
Na het overlijden van haar moeder heeft de dochter het testament gebruikt bij de afwikkeling van de nalatenschap. Het doel daarvan was volgens het hof duidelijk: de dochter wilde bereiken dat zij als enige erfgenaam alle bezittingen van haar moeder zou verkrijgen. Volgens het hof was hiermee sprake van opzettelijke misleiding. De dochter werd daarom veroordeeld voor het opzettelijk gebruik maken van een valse authentieke akte in de zin van artikel 227 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof legde haar een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op.
Wat leert deze uitspraak ons?
Deze uitspraak onderstreept opnieuw dat bij dementie en twijfel over de wilsbekwaamheid uiterste zorgvuldigheid is vereist bij het opstellen van een testament. De betrokken notaris is in 2021 uit het ambt ontzet, omdat hij niet met de in dit geval vereiste hoge mate van zorgvuldigheid heeft onderzocht of de moeder wilsbekwaam was en of zij haar wil vrij kon vormen en uiten.
Daarnaast laat deze zaak zien dat het vaststellen van wilsonbekwaamheid niet alleen civielrechtelijke gevolgen kan hebben, maar ook verstrekkende gevolgen op strafrechtelijk gebied. De zaak is opvallend. Als strafrecht en erfrecht elkaar raken gaat dat meestal over financieel ouderenmisbruik of het onwaardig zijn om te erven. Het is aan de strafrechtspecialisten om iets te vinden van de uitkomst van deze zaak.
