Vererving immateriële schadevergoeding

De Mallorca-strafzaak heeft de afgelopen jaren veel media-aandacht gekregen. Het gaat in deze Mallorca-strafzaak om een jongen die in de zomer van 2021 is overleden als gevolg van groepsgeweld tijdens het uitgaan toen hij op vakantie was op Mallorca.

Ook voor het erfrecht is deze strafzaak relevant. In deze strafprocedure hebben de ouders van de overleden jongen (hierna te noemen: ‘erflater’) zich namelijk namens erflater als benadeelde gevoegd in de strafprocedure op grond van art. 51f Sv. Daarbij hebben de ouders onder andere een vergoeding gevraagd voor de immateriële schade die erflater heeft geleden als gevolg van de mishandeling, waardoor hij uiteindelijk overleden is.

In deze bijdrage bespreek ik het verloop van deze strafprocedure ten aanzien van deze civielrechtelijke vordering tot immateriële schadevergoeding en het uiteindelijke oordeel van de Hoge Raad.

Oordeel Rechtbank en hof: erflater heeft recht op immateriële schadevergoeding, welk recht de nabestaanden toekomt op grond van vererving

In eerste aanleg wijst de Rechtbank Midden-Nederland de vordering van de ouders van erflater toe (ECLI:NL:RBMNE:2022:4617). De rechtbank oordeelt dat op grond van art. 6:95 lid 2 BW een vordering ter zake immateriële schade onder algemene titel over kan gaan als de gerechtigde (in dit geval erflater) aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken. De rechtbank is van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn in de zin van art. 6:2 lid 2 BW als de verdachte zich erop zou kunnen beroepen dat erflater, die na het door de groep toegebrachte letsel niet meer bij bewustzijn is geweest, geen mededeling heeft gedaan dat hij aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.

In hoger beroep komt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tot een vergelijkbaar oordeel als de rechtbank: erflater heeft immateriële schade geleden en die schade komt voor vergoeding in aanmerking, omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de verdachte zich erop zou kunnen beroepen dat erflater geen mededeling heeft gedaan dat hij aanspraak maakt op vergoeding van de door hem geleden immateriële schade (ECLI:GHARL:2024:1868). Daarmee is het gerechtshof ook van oordeel dat de vordering van erflater vatbaar is voor vererving. Het gerechtshof acht toewijzing van de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 24.750,00 billijk.

De verdachte – die civielrechtelijk op grond van de groepsaansprakelijkheid van art. 6:166 BW samen met medeverdachten is aangesproken voor de vergoeding van de door erflater geleden schade – is het met dit oordeel van het gerechtshof niet eens en stelt cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Daarbij stelt de verdachte zich op het standpunt dat het gerechtshof ten onrechte heeft geoordeeld dat erflater – die door geweld direct het bewustzijn is verloren, in coma is geraakt en is overleden, zonder nog bij bewustzijn te zijn geweest – immateriële schade heeft geleden en dat die schade (door vererving) in aanmerking komt voor vergoeding aan de ouders van erflater in hun hoedanigheid van nabestaanden.

Oordeel Hoge Raad: erflater heeft geen recht op immateriële schadevergoeding, en dus de ouders als nabestaanden van erflater ook niet

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof en doet de zaak zelf af door te oordelen dat de vordering van de nabestaanden van erflater ten aanzien van de immateriële schadevergoeding wordt afgewezen, zo blijkt uit rechtsoverweging 4.6.2.

Dit oordeel baseert de Hoge Raad in rechtsoverweging 4.5.2 op de wetgeschiedenis, waaruit blijkt dat het recht op vergoeding van immateriële schade een hoogstpersoonlijk recht is, in die zin dat het de benadeelde zelf is die beslist of hij hier aanspraak op wenst te maken. Er is geen reden waarom het door het slachtoffer ondergane leed nog tot een vergoedingsplicht leidt als de vergoeding niet meer kan dienen om zijn leed te verzachten of hem genoegdoening te verschaffen. Het recht op smartengeld kan wel onder algemene titel overgaan (vererven) als de benadeelde heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken. Omdat erflater zich door het directe en blijvende verlies van zijn bewustzijn niet bewust kon zijn van zijn toestand na het geweld, kan volgens de Hoge Raad niet worden gezegd dat een slachtoffer in een geval als dit immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking kan komen.

In het verlengde hiervan oordeelt de Hoge Raad in rechtsoverweging 4.6.1 dat daarmee het andersluidende oordeel van het hof onjuist is. De vraag naar de betekenis van de in art. 6:95 lid 2 BW bedoelde mededeling (die nodig is om aanspraak te kunnen maken op een immateriële schadevergoeding in de zin van art. 6:106 sub b BW) en de mogelijke rol van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:2 lid 2 BW in de gevallen waarin deze mededeling ontbreekt, is daarom niet aan de orde in een geval als dit, aldus de Hoge Raad.

Betekenis van dit arrest voor de erfrechtpraktijk

Dit arrest van de Hoge Raad laat zien dat de Hoge Raad het bepaalde in art. 6:95 lid 2 BW – waarin staat dat het recht op een vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (immateriële schade dus), niet vatbaar is voor beslag en dat voor overgang onder algemene titel (zoals aan de orde bij vererving) voldoende is dat de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken – strikt toepast. De Hoge Raad ziet hier geen ruimte voor het toepassen van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 lid 2 BW.

Hierbij is het goed om te vermelden dat een vergelijkbare regel van toepassing was onder het oude recht dat tot 1 januari 2019 van toepassing was. De betreffende regel was tot 1 januari 2019 opgenomen in art. 6:102 lid 2 BW. In dat artikellid was onder meer bepaald dat het recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade niet vatbaar is voor overgang en beslag, tenzij het bij overeenkomst is vastgelegd of ter zake een vordering in rechte is ingesteld. De reden waarom de regel verplaatst is naar art. 6:95 lid 2 BW, is omdat de regel van toepassing is op alle aanspraken op een vergoeding van ander nadeel, en dus niet alleen de aanspraken die gebaseerd zijn op art. 6:106 BW (G.J.L. Bergervoet, GS Vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2012, art. 3:83 BW, aant. 22.2.4). Denk daarbij aan een affectieschadevergoeding die familieleden van benadeelden met ernstig en blijvend letsel kunnen vorderen op grond van art. 6:107 lid 1 sub b BW en een affectieschadevergoeding voor nabestaanden van iemand die overleden is waarvoor een ander aansprakelijk is op grond van art. 6:108 lid 3 BW.

De redelijkheid en billijkheid in het erfrecht

Er lijkt een tendens in de rechtspraak waarneembaar waarin de redelijkheid en billijkheid steeds meer aan terrein winnen binnen het erfrecht. Dit is bijvoorbeeld aan de orde rondom de uitleg van testamenten, maar ook rondom het buiten beschouwing laten van een laatste testament of het aanmerken van een concept testament als definitief testament vindt toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 lid 2 BW steeds vaker plaats (zie hierover nader:  J.Th.M. Diks & N. Lavrijssen, ‘Vergeet de letterlijke tekst van het testament en leg uit, denk in scenario’s, pas de redelijkheid toe en kijk naar een concept-testament’, KWEP 2025/3, p. 11-16).

Het in deze bijdrage besproken arrest van de Hoge Raad laat zien dat de redelijkheid en billijkheid niet op alle deelgebieden van het erfrecht terrein winnen. Terwijl juist in een zaak als deze het rechtvaardigheidsgevoel indruist tegen de uitkomst van deze procedure. De veroordeelde daders worden immers als het ware ‘beloond’ (in die zin dat zij geen immateriële schadevergoeding hoeven te betalen aan de nabestaanden van erflater) voor het feit dat ze erflater zodanig mishandeld hebben, dat hij niet meer bij bewustzijn is geweest en daarmee geen mededeling kan hebben gedaan dat hij aanspraak wenst te maken op een immateriële schadevergoeding. Dura lex sed lex: de wet is hard, maar zij is de wet.