Voor u gesignaleerd: recente rechtspraak familie-en erfrecht van de Hoge Raad

Op 17 april 2026 deed de Hoge Raad drie interessante uitspraken over zowel het familierecht als het erfrecht-/vermogensrecht. De zaken gaan over onderwerpen die in de praktijk vaak tot discussie leiden, zoals de verdeling van een nalatenschap, kinderalimentatie en de echtelijke woning. In dit artikel worden de kernoverwegingen van deze uitspraken besproken.

 

Huurinkomsten van goederen in een onverdeelde nalatenschap: van wie zijn die eigenlijk? (Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:680)

De eerste zaak gaat over een langdurig onverdeelde nalatenschap op Curaçao, bestaande onder meer uit onroerende zaken. Enkele erfgenamen gebruikten en verhuurden deze goederen feitelijk, zonder dat de nalatenschap tussen de erfgenamen was verdeeld. De vraag rees of de daaruit voortvloeiende huurinkomsten moeten worden gedeeld met alle erfgenamen.

De eisende erfgenamen stelden dat huurinkomsten kwalificeren als burgerlijke vruchten in de zin van artikel 3:9 lid 2 BW en dat deze op grond van artikel 3:172 BW naar evenredigheid van ieders aandeel in de gemeenschap onder alle erfgenamen moeten worden verdeeld.

Het hof volgde deze redenering niet. Het oordeelde dat de huurinkomsten niet als vruchten van het gemeenschappelijke goed moeten worden aangemerkt, maar moeten worden toegerekend aan de erfgenaam die het goed feitelijk exploiteerde. Daarbij sloot het hof aan bij artikel 3:169 BW, waaruit volgt dat gebruik van een gemeenschappelijk goed is toegestaan, mits dit verenigbaar is met de rechten van de overige deelgenoten. Indien een deelgenoot het goed exclusief gebruikt of andere deelgenoten feitelijk uitsluit, kan dit hoogstens leiden tot een verplichting tot betaling van een redelijke gebruiksvergoeding.

De Hoge Raad kwam tot een ander oordeel. Volgens de Hoge Raad kwalificeren huurinkomsten in beginsel als burgerlijke vruchten van een gemeenschappelijk goed. Deze opbrengsten vallen daarmee onder het regime van artikel 3:172 BW en dienen in beginsel naar evenredigheid van ieders aandeel tussen de deelgenoten te worden verdeeld.

Daarnaast verwierp de Hoge Raad het oordeel van het hof over verjaring en rechtsverwerking. Het hof had geoordeeld dat de erfgenamen te lang hadden stilgezeten om nog aanspraak te kunnen maken op oude inkomsten. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit oordeel onvoldoende was gemotiveerd, mede gelet op de stelling van de eisende erfgenamen dat in het verleden wel degelijk pogingen tot verdeling waren ondernomen.

Kinderalimentatie: alle kinderen tellen mee (Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:664)

Deze zaak betreft de vaststelling van kinderalimentatie tussen een man en een vrouw die samen twee kinderen hebben. Daarnaast heeft de man nog twee minderjarige kinderen uit een nieuwe relatie. De man en de vrouw verschillen van mening hoe zijn draagkracht moet worden verdeeld over deze onderhoudsverplichtingen.

Het hof heeft de alimentatie vastgesteld voor de twee kinderen uit de relatie met de vrouw, zonder de twee andere kinderen uit de nieuwe relatie in de berekening te betrekken, omdat over hun financiële situatie geen gegevens waren overgelegd.

De Hoge Raad oordeelt dat dit onjuist is. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat bij meerdere onderhoudsverplichtingen de beschikbare draagkracht in beginsel over alle kinderen moet worden verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking rechtvaardigen. Ook bij ontbrekende gegevens moet de rechter zo nodig schatten of motiveren waarom dat niet mogelijk is.

Door de twee andere kinderen buiten beschouwing te laten, heeft het hof het uitgangspunt miskend dat alle onderhoudsverplichtingen in de draagkrachtverdeling moeten worden betrokken.

Echtelijke woning en partiële vernietiging van een overeenkomst (Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:681)

Deze zaak gaat over een koop- en zekerheidsconstructie met meerdere onroerende zaken ter zekerheid van een bouwschuld. Een deel van deze onroerende zaken betrof de echtelijke woning, terwijl de echtgenote geen toestemming had gegeven voor de overeenkomst.

De echtgenote heeft zich beroepen op vernietiging op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW, omdat toestemming van de echtgenoot vereist is voor rechtshandelingen die de echtelijke woning betreffen.

De discussie is vervolgens of de vernietiging de gehele overeenkomst treft of slechts het gedeelte dat ziet op de echtelijke woning. Het hof past artikel 3:41 BW toe en oordeelt dat de overeenkomst splitsbaar is in een deel dat de echtelijke woning betreft en een zelfstandig deel dat ziet op bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken. Alleen het eerstgenoemde deel wordt door de vernietiging getroffen.

De Hoge Raad bevestigt dat een rechtshandeling op grond van artikel 3:41 BW partieel vernietigd kan worden, mits het nietige deel voldoende te scheiden is van het geldige deel. Het hof heeft dit niet miskend en kon oordelen dat het zakelijke deel van de overeenkomst in stand blijft.